ECLI:NL:HR:1996:AA2061
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over proceskostenvergoeding bij bezwaar tegen inkomstenbelastingaanslag 1989
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1989 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 50.000. Bij bezwaar werd hij niet-ontvankelijk verklaard, waarna hij in beroep ging bij het Hof. Het Hof vernietigde de niet-ontvankelijkverklaring en verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 35.391, maar wees een proceskostenvergoeding toe aan belanghebbende af, stellende dat de procedure aan hemzelf te wijten was.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door te veronderstellen dat de procedure aan belanghebbende was toe te rekenen, ook al had deze aanvankelijk geen aangifte gedaan. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het geen proceskostenvergoeding toekent en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van het geding bij het Hof en in cassatie.
De Hoge Raad benadrukt dat de bevoegdheid van het Hof om proceskosten toe te kennen discretionair is, maar dat deze niet mag berusten op een verkeerde rechtsopvatting. De zaak betreft ook samenhangende procedures inzake inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen, waarbij de Hoge Raad de proceskostenvergoeding in samenhang beoordeelt.
De uitspraak bevestigt dat bij onterechte niet-ontvankelijkverklaring in bezwaar de inspecteur in beginsel in de proceskosten kan worden veroordeeld, ook als de belanghebbende aanvankelijk geen aangifte deed. De Hoge Raad wijst de Staat aan als de partij die de kosten moet vergoeden en bepaalt de hoogte van de vergoeding voor beroepsmatige rechtsbijstand en griffierecht.
Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt de inspecteur in de proceskostenvergoeding aan belanghebbende en vernietigt het hofarrest voor zover geen proceskostenvergoeding is toegekend.