ECLI:NL:HR:1996:AA2036
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- C.H.M. Urlings
- C.H.M. Jansen
- Fleers
- Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onbelaste optievergoeding in inkomstenbelastingzaak 1988
Belanghebbende, eigenaar van grond en opstallen, verleende in 1988 een optie aan B NV voor de aankoop van zijn percelen. De optie hield in dat B NV jaarlijks een bedrag betaalde, in ruil voor het recht om de grond te kopen binnen een onbepaalde periode met een maximumprijs van ƒ 1.400.000,--. In 1990 maakte B NV gebruik van het recht de optie op te zeggen.
De vraag in cassatie was of de ontvangen optievergoeding van ƒ 42.000,-- moest worden aangemerkt als belastbaar inkomen uit vermogen volgens artikel 24 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964, of als een onbelaste vergoeding in de vermogenssfeer. Het Hof had geoordeeld dat sprake was van een optiecontract waarbij de vergoeding een tegenprestatie vormde voor het prijsgeven van het recht om de grond aan derden te verkopen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de vergoeding geen belastbaar voordeel uit vermogen was, maar een vergoeding voor het prijsgeven van een kans op waardestijging van het onroerend goed. Het beroep van de Staatssecretaris werd verworpen en de proceskosten werden aan de zijde van belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de optievergoeding onbelast is.