ECLI:NL:HR:1996:AA2023
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aanslag inkomstenbelasting na fraude met gestolen girokaarten
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar werd verminderd maar door het Hof werd bevestigd. De Inspecteur stelde dat belanghebbende inkomsten uit fraude met gestolen girokaarten in Spanje en Zuid-Frankrijk niet had aangegeven. Belanghebbende ontkende de buitenlandse fraude, erkende slechts een klein bedrag uit Nederland.
Het Hof oordeelde dat de aan het strafrechtelijke onderzoek ontleende gegevens het vermoeden rechtvaardigen dat belanghebbende zich aanzienlijke bedragen had toegeëigend door fraude en dat hij dit vermoeden niet had weerlegd. Daarom werd artikel 29, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) toegepast, waarbij de bewijslast bij belanghebbende lag.
De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het Hof over de bewijsmiddelen niet in cassatie kan worden getoetst en dat de ambtshalve toepassing van artikel 29, lid 2, AWR door het Hof gerechtvaardigd was, ook al had de Inspecteur hier geen beroep op gedaan. Klachten over procesorde en bewijsaanbod faalden. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de aanslag.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de aanslag inkomstenbelasting over 1990.