ECLI:NL:HR:1996:AA2015
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Cassatie over waardebepaling overdrachtsbelasting bij verkrijging woonhuis door huurder
Belanghebbende en zijn vader exploiteerden samen een agrarisch bedrijf. Op 12 juni 1992 kocht belanghebbende de bij het bedrijf behorende onroerende zaken, waaronder een woonhuis dat hij al jaren als huurder bewoonde, van zijn ouders. Bij de aangifte voor de overdrachtsbelasting waardeerde hij het woonhuis op ƒ 100.000,--, terwijl de Inspecteur een naheffingsaanslag oplegde op basis van een hogere waarde van ƒ 136.000,--, rekening houdend met de waarde in het economische verkeer inclusief de huurder als beste gegadigde.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de naheffingsaanslag, dat werd afgewezen door de Inspecteur en bevestigd door het Hof. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie bij de Hoge Raad. De kernvraag was of bij de waardebepaling van het woonhuis rekening moet worden gehouden met het feit dat belanghebbende als huurder de beste gegadigde was.
De Hoge Raad oordeelde dat de waarde in het economische verkeer de prijs is die bij verkoop door de meestbiedende gegadigde zou worden betaald, waarbij de huurder als beste gegadigde moet worden meegeteld. Het beroep in cassatie werd verworpen omdat het oordeel van het Hof hiermee in overeenstemming was. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof bevestigd.