ECLI:NL:HR:1996:AA2007

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31222
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Urlings
  • C.H.M. Jansen
  • Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 1 Verordening Parkeerbelastingen 1991Art. 283b Gemeentewet (oud)Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid gemeente tot aanbrengen wielklem ter zekerheid betaling naheffingsaanslag parkeerbelasting

Belanghebbende werd door de gemeente Amsterdam een bedrag van ƒ 60,-- opgelegd voor de kosten van het aanbrengen en verwijderen van een wielklem. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd deze beschikking gehandhaafd. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat de gemeente op grond van artikel 10, lid 1, van de Verordening Parkeerbelastingen 1991 in samenhang met artikel 283b van de Gemeentewet (oud) bevoegd is om zonder individuele beoordeling van de bereidheid tot betaling direct een wielklem aan te brengen ter zekerheid van de naheffingsaanslag. Belanghebbende voerde geen misbruik van deze bevoegdheid aan, waardoor het oordeel van het Hof juist is.

De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bepaalt dat een deel van de proceskosten aan belanghebbende wordt terugbetaald. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Het arrest is op 10 april 1996 vastgesteld en in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Urlings, Jansen en Fleers.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de gemeente om zonder individuele beoordeling een wielklem aan te brengen en wijst het cassatieberoep af.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 maart 1995 betreffende na te melden beschikking kosten wielklem van de gemeente Amsterdam.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Van belanghebbende is door de gemeente Amsterdam bij beschikking van 6 april 1993 een bedrag van ƒ 60,-- gevorderd ter zake van de kosten van het aan- brengen en verwijderen van een wielklem. Deze be- schikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uit- spraak van de Directeur van de dienst parkeerbeheer van de gemeente Amsterdam gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Direc- teur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uit- spraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daar- van deel uit. De Gemeente heeft op 23 augustus 1995 een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft zijn gemotiveerde beroepschrift in cassatie na het einde van de wettelijke termijn voor beroep in cassa- tie aangevuld bij een op 9 november 1995 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen brief. Op deze aanvulling zal echter geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt zodanig stuk in te dienen.
3. Beoordeling van de klacht In cassatie komt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof dat de gemeente niet is gehouden om, alvorens gebruik te maken van de haar ingevolge artikel 10, lid 1, van de Verordening Parkeerbelas- tingen 1991 van de gemeente Amsterdam in verbinding met artikel 283b van de Gemeentewet (oud) toekomende bevoegdheid om tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan het betreffende voertuig een wielklem aan te brengen, steeds van geval tot geval de bereidheid tot betaling te bezien. Vooropgesteld dat belanghebbende niets heeft aangevoerd, waaruit enig misbruik van die bevoegdheid zou zijn af te leiden, is dat oordeel juist, omdat het beantwoordt aan voormelde strekking van artikel 10, lid 1, dat van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt onmiddellijk bij het opleggen van de naheffingsaan- slag parkeerbelasting. De van een andere opvatting uitgaande klacht van belanghebbende faalt derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep en bepaalt dat door de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terugbetaald hetgeen van het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,-- resteert na verrekening van het ter zake van het cassatieberoep verschuldigde recht van ƒ 75,--, derhalve een bedrag van ƒ 75,--.
Dit arrest is op 10 april 1996 vastgesteld door de raadsheer Urlings als voorzitter, en de raadsheren C.H.M. Jansen en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.