ECLI:NL:HR:1996:AA1982
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Zuurmond
- Herrmann
- Jansen
- Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking aftrek reiskosten zeevarenden bij loonbelasting
Belanghebbende, werkzaam als werktuigkundige aan boord van zeeschepen, kreeg voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd gebaseerd op een belastbaar inkomen van ƒ 35.083. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de aftrekbaarheid van reiskosten die belanghebbende had gemaakt. De werkgever had de faciliteit voor de zeevaart toegepast conform artikel 17 lid 4 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964. Belanghebbende maakte reiskosten ter hoogte van ƒ 1.980 op grond van een Staatssecretariele Resolutie, maar het Hof oordeelde dat deze kosten niet aftrekbaar waren omdat zij niet boven het met de zeedagenaftrek verhoogde arbeidskostenforfait uitkwamen, conform artikel 37 lid 4 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de klachten van belanghebbende. De Hoge Raad stelde dat artikel 37 lid 4 inderdaad Pro aftrek van reiskosten kan beperken en dat de regeling in de Resolutie deze bepaling niet uitsluit. Ook werd geoordeeld dat er geen ongelijke behandeling is tussen zeevarenden die wel of niet onder de faciliteit voor de zeevaart vallen.
Ten slotte wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af en stelde het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest werd op 17 april 1996 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beperking van aftrekbare reiskosten voor zeevarenden.