ECLI:NL:HR:1996:AA1958

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31069
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 EEG-verordening 918/83Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt heffing omzet- en verbruiksbelasting na overdracht gestolen personenauto

Belanghebbende werd door de Inspecteur uitgenodigd tot betaling van omzetbelasting en bijzondere verbruiksbelasting over een personenauto die zij als verhuisgoed met voorwaardelijke vrijstelling had ingevoerd. De auto werd kort na invoer gestolen en later door de verzekeraar aan een derde verkocht.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag, dat werd afgewezen. Het Hof Arnhem bevestigde deze beslissing en oordeelde dat de overdracht van de auto aan de verzekeraar een overdracht onder bezwarende titel was in de zin van de EEG-verordening 918/83. De stelling van belanghebbende dat de diefstal geen overdracht was en dat de overdracht niet uit vrije wil was, werd verworpen.

De Hoge Raad oordeelde dat de overdracht binnen één jaar na invoer plaatsvond en dat het hof de juiste rechtsregel toepaste. Het cassatieberoep werd verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt belastingheffing over gestolen personenauto.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 16 februari 1995 betreffende na te melden aan belanghebbende gedane uitnodiging tot betaling van omzetbelasting en bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's.
1. Uitnodiging, bezwaar en geding voor het Hof Belanghebbende is door het Hoofd van de Belastingdienst/Douane district P (hierna: de Inspecteur) op 13 oktober 1993 schriftelijk uitgenodigd tot betaling van bedragen van ƒ 25.717,60 aan omzetbelasting en ƒ 38.914,-- aan bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Op 4 maart 1992 heeft belanghebbende een personenauto als verhuisgoed met een voorwaardelijke vrijstelling ten invoer aangegeven. De auto is belanghebbende op 7 of 8 mei 1992 ontstolen. In juli 1992 heeft belanghebbende de auto aan haar verzekeraar in eigendom overgedragen en een uitkering van ƒ 170.000,-- ontvangen, zijnde de waarde van de auto inclusief belasting. De verzekeraar heeft de auto, nadat deze in goede staat was opgespoord, vóór of op 19 oktober 1992 aan een derde verkocht.
3.2. Het Hof heeft de eigendomsoverdracht van de auto aan de verzekeraar aangemerkt als een overdracht onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 7, lid 1, van de EEG-verordening 918/83 van 28 maart 1983, en geoordeeld dat daaraan niet afdoen belanghebbendes stellingen dat de diefstal niet als zodanige overdracht is te beschouwen en dat de overdracht aan de verzekeraar na de diefstal niet uit vrije wil is geschied.
3.3. De hiervóór in 3.1 vermelde feiten brengen in ieder geval mee dat de auto binnen de periode van
één jaar te rekenen van het moment van aangifte als verhuisgoed is overgedragen in de zin van genoemd artikel 7. 's Hofs beslissing is derhalve juist, wat er zij van de daartoe gebezigde gronden, zodat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 8 juli 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.