ECLI:NL:HR:1996:AA1927
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitsluiting van kosten levensonderhoud minderjarige kinderen als bedrijfskosten
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar en beroep door het Hof werd verminderd. Het geschil betrof de vraag of verstrekkingen in natura (kost, inwoning) en kleding aan minderjarige kinderen, die deels in de onderneming werkten, als bedrijfskosten konden worden afgetrokken.
Het Hof oordeelde dat deze verstrekkingen in het algemeen onder de verzorgingsverplichting van ouders vallen en niet specifiek ter zake van de arbeid van de kinderen zijn gedaan. Dit oordeel was feitelijk en juridisch niet onjuist en kon in cassatie niet worden aangetast.
De Hoge Raad bevestigde dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de kosten van levensonderhoud van minderjarige kinderen die minder dan de helft van hun beschikbare tijd in de onderneming werken, niet tot de ondernemingskosten behoren maar tot de privésfeer.
Verder werd geoordeeld dat het Hof bevoegd was een kennelijke rekenfout in de mondelinge uitspraak te corrigeren bij de schriftelijke uitspraak, en dat de proceskostenveroordeling niet toewijsbaar was omdat het geding voor het Hof vóór 1994 eindigde.
Het cassatieberoep werd verworpen en de proceskostenveroordeling afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verstrekkingen aan minderjarige kinderen worden niet als bedrijfskosten erkend.