ECLI:NL:HR:1996:AA1903

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30899
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie tegen uitspraak Gerechtshof Arnhem inzake naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting

In deze zaak gaat het om een beroep in cassatie van belanghebbende X tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 november 1994, betreffende een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting. De naheffingsaanslag, opgelegd voor het motorrijtuig met kenteken AA-11-AA, betreft een bedrag van ƒ 641,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 641,-- aan verhoging, berekend over de periode van 1 november 1989 tot en met 30 april 1990. Na bezwaar tegen de aanslag heeft de Inspecteur deze gehandhaafd, zonder kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld bij het Hof, dat de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd.

In cassatie heeft belanghebbende een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling ingediend, omdat hij wegens ziekte niet ter zitting kon verschijnen. Dit verzoek werd door het Hof afgewezen, niet omdat het te laat was, maar omdat het Hof van mening was dat er geen aanleiding was voor een vierde uitstel. Het Hof had belanghebbende eerder al meegedeeld dat een nader uitstel niet meer zou worden verleend en dat hij een gemachtigde kon afvaardigen.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende redenen heeft gegeven voor de afwijzing van het uitstel, vooral omdat het Hof de bij het verzoek gevoegde bewijsstukken als te laat terzijde heeft gesteld. De Hoge Raad concludeert dat de klacht van belanghebbende gegrond is, omdat het Hof de bewijsstukken niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Hierdoor kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven en moet de zaak worden verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem voor verdere behandeling.

De Hoge Raad heeft ook bepaald dat belanghebbende recht heeft op terugbetaling van het griffierecht en dat de Staatssecretaris van Financiën dit bedrag moet vergoeden. Tevens wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over een eventuele veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 november 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken AA-11-AA een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 1 november 1989 tot en met 30 april 1990, ten bedrage van ƒ 641,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 641,-- aan verhoging. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak en dit besluit heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep gedeeltelijk bestreden en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
3. Beoordeling van de klacht Belanghebbende heeft een op 15 april 1994 bij het Hof binnengekomen verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling gedaan, met bijvoeging van bewijsstukken omtrent het geschil, zulks omdat hij wegens ziekte niet ter zitting kon verschijnen en verwachtte over drie maanden weer te kunnen reizen. Dit verzoek is door het Hof afgewezen, niet op grond dat het niet tijdig zou zijn gedaan, doch omdat niet voor de vierde maal een nader uitstel behoefde te worden verleend, nu belanghebbende bij het laatstverleende uitstel is medegedeeld dat een nader uitstel niet meer zal worden verleend en dat hij een gemachtigde kan afvaardigen. In de omstandigheden van het onderhavige geval zou deze redengeving voldoende kunnen worden geacht voor 's Hofs oordeel dat ten opzichte van de belangen van belanghebbende om zich in persoon ter zitting te verdedigen en daarbij bewijsstukken in het geding te brengen, zwaarder wegende, bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zodanig uitstel in de weg staan, indien het Hof de bij het verzoek om uitstel gevoegde stukken, voorzover deze bewijsstukken vormen, in zijn beoordeling van de zaak had betrokken. Nu het Hof evenwel deze bewijsstukken - waarin het Hof mede nieuwe grieven heeft gelezen - als te laat in het geding gebracht heeft terzijdegesteld, is het verzoek om uitstel op onvoldoende grond geweigerd, en de klacht, die zich tegen het buiten beschouwing laten van deze bewijsstukken keert, gegrond. 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
5. Beslissing. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 75,--, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 75,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest is op 10 april 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier en op die datum in het openbaar uitgesproken.