ECLI:NL:HR:1996:AA1849

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30741
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • Van der Putt-Lauwers
  • Van Brunschot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8a lid 2 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak in belastingzaken
Verwijzingen
3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting en aftrekbeperking verblijfskosten

Belanghebbende, die winst uit onderneming geniet via een vennootschap onder firma actief in tentoonstellingsbouw, werd navorderingsaanslag opgelegd voor het jaar 1990 met een verhoogd belastbaar inkomen. Het Gerechtshof Arnhem handhaafde deze aanslag waarbij de aftrekbeperking voor verblijfskosten niet werd achterwege gelaten omdat de kosten niet specifiek aan opdrachtgevers waren doorbelast.

In cassatie stelde belanghebbende dat deze aftrekbeperking onterecht was toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat de wettelijke bepaling omtrent aftrekbeperking slechts ziet op uitgaven die specifiek en als zodanig aan de afnemer worden doorbelast. Het oordeel van het Hof was een redelijke uitlegging van de wet en bevatte geen onjuiste rechtsopvatting.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en zag geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten. Het arrest werd vastgesteld en in het openbaar uitgesproken op 10 april 1996.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 5 oktober 1994 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1990 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van ƒ 54.441,--, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.495,--, zonder verhoging. Belanghebbende is tegen die aanslag in beroep gekomen bij het Hof, dat de navorderingsaanslag heeft gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 2 oktober 1995 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende geniet winst uit onderneming uit een vennootschap onder firma, die zich bezighoudt met tentoonstellingsbouw, met name in Duitsland, Frankrijk en Italië. De firma brengt aan opdrachtgevers bedragen in rekening, waarin een geschat bedrag aan verblijfskosten is verwerkt.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, nu voor de opdrachtgevers niet kenbaar is in hoeverre kosten van voedsel, drank en genotmiddelen hun in rekening worden gebracht, aftrekbeperking als bedoeld in artikel 8a, lid 2, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, niet achterwege kan blijven op grond van het doorbelasten van voornoemde kosten.
3.3. Het middel, dat zich tegen dat oordeel richt, faalt. Een redelijke uitlegging van voornoemde wetsbepaling brengt mee dat slechts ter zake van uitgaven die als zodanig en daartoe specifiek aangeduid door de ondernemer aan diens afnemer in rekening worden gebracht, de aftrekbeperking achterwege kan blijven. 's Hofs oordeel geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak in belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 10 april 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, Van der Putt- Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.