ECLI:NL:HR:1996:AA1806
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Investeringsbijdragen bij ontbinding maatschap en overname activa door vennoot
In deze zaak staat centraal of belanghebbende aanspraak heeft op investeringsbijdragen voor de door zijn vader in 1982 ingebrachte bedrijfsmiddelen bij de ontbinding van de maatschap in 1988.
Belanghebbendes vader bracht zijn veehoudersbedrijf in de maatschap in, waarbij hij voor het ingebrachte vermogen werd gecrediteerd en recht had op 25% van de stille reserves. De winstverdeling was aanvankelijk 25% voor de vader en 75% voor belanghebbende. Bij ontbinding van de maatschap nam belanghebbende alle activa en passiva over en zette het bedrijf voort.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende investeringsbijdragen toekomen over de waarde van de activa waarvoor hij bij ontbinding verplichtingen is aangegaan, ondanks zijn reeds bestaande winstgerechtigdheid. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep van de Staatssecretaris af. De creditering van de vader vertegenwoordigt de waarde van het ingebrachte vermogen en vormt geen overdrachtsprijs die investeringsbijdragen uitsluit.
De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van de proceskosten en benadrukt dat de winstgerechtigdheid niet gelijkstaat aan gerechtigdheid tot het vermogen, zodat investeringsbijdragen terecht worden toegekend aan belanghebbende.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en belanghebbende krijgt investeringsbijdragen toegekend over de volledige waarde van de door zijn vader ingebrachte activa.