ECLI:NL:HR:1996:AA1791
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over wetsontduiking bij navordering inkomstenbelasting 1989
Belanghebbende was houder van 75% van de aandelen in A BV en directeur daarvan. Op 31 maart 1989 keerde D BV, een 100%-dochter van A BV, dividend uit aan A BV. Belanghebbende kocht vervolgens de aandelen in D BV van A BV en verkocht op 1 april 1989 zijn aandelen in A BV aan B BV. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op waarbij een deel van de dividenduitkering werd belast als inkomsten uit vermogen met toepassing van het leerstuk wetsontduiking.
Het hof oordeelde dat belanghebbende geen zakelijk belang aannemelijk had gemaakt en dat de dividenduitkering niet als winst uit aanmerkelijk belang, maar als inkomsten uit vermogen moest worden belast. Het hof verwierp het verweer dat belanghebbende zijn belang bij de ondernemingsactiviteiten niet had behouden.
De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte de vraag naar de doorslaggevende beweegreden voor het gehele samenstel van rechtshandelingen heeft beperkt tot de beweegreden voor de dividenduitkering. Hierdoor is de stelling van belanghebbende dat zijn motief de verkoop van het assurantiekantoor was en niet belastingverijdeling, buiten beschouwing gebleven. De zaak wordt verwezen voor hernieuwde behandeling.
De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en gelast vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar het hof Amsterdam.