ECLI:NL:HR:1996:AA1763

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31547
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A. Stoffer
  • J. Urlings
  • M. Zuurmond
  • C. Fleers
  • W. Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over de aftrekbaarheid van kosten voor een neef als buitengewone last in de inkomstenbelasting

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 27 november 1996 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende de aftrekbaarheid van kosten voor een neef als buitengewone last in de inkomstenbelasting. De belanghebbende, X, had voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ontvangen, gebaseerd op een belastbaar inkomen van ƒ 83.434. Na bezwaar tegen deze aanslag, werd deze door de Inspecteur gehandhaafd, waarna X in beroep ging bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Inspecteur, waarop X cassatie instelde.

In cassatie werd door de Hoge Raad vastgesteld dat de neef van belanghebbende in 1992 bij haar inwoonde en door haar werd onderhouden. X had de kosten voor het levensonderhoud van de neef als buitengewone last in mindering op haar inkomen willen brengen, maar de Inspecteur had deze aftrekpost niet aanvaard. De Hoge Raad oordeelde dat de neef niet als pleegkind kon worden aangemerkt volgens de Wet op de inkomstenbelasting 1964, omdat niet voldaan was aan de eis dat de neef als eigen kind moest worden opgevoed. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat de opvoedingseis niet was vervuld, waarbij de leeftijd van de neef, de aard van zijn verblijf en de band met zijn natuurlijke ouders in overweging werden genomen.

Daarnaast deed X een beroep op opgewekt vertrouwen, omdat de Inspecteur in het verleden de kosten voor de neef als buitengewone last had geaccepteerd. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze omstandigheid de Inspecteur niet belette om in het onderhavige jaar een ander standpunt in te nemen. De Hoge Raad verwierp het beroep van X en oordeelde dat er geen termen aanwezig waren voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak van de Hoge Raad is openbaar uitgesproken en vastgesteld door de vice-president en de raadsheren, met de waarnemend griffier aanwezig.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 september 1995 betreffende de haar voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksver- zekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 83.434,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de In- specteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uit- spraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift
in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daar- van deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klacht 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. In het gezin van belanghebbende is in het onderhavige jaar, 1992, een neef van haar echtgenoot opgenomen, die in dit jaar geheel door haar werd onderhouden en van wie zij ook de studiekosten droeg. De neef is op 24 november 1971 te Q geboren, alwaar zijn ouders wonen, en studeert sinds 1 september 1991 aan de universiteit te R. Belanghebbende had voor hem geen recht op kinderbijslag, noch had de neef zelf recht op studiefinanciering. Belanghebbende heeft de uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van de neef als buitengewone last in mindering op haar inkomen gebracht. De Inspecteur heeft deze aftrekpost niet aanvaard. 3.2. Belanghebbende herhaalt in cassatie haar tevergeefs voor het Hof gehouden betoog, dat de neef als een pleegkind in de zin van artikel 46, lid 1, letter a, sub 1°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) moet worden aangemerkt, omdat hij voor zijn levensonderhoud geheel op haar is aan- gewezen. 3.3. Onder pleegkinderen als bedoeld in artikel 46 van de Wet moeten worden verstaan zij, die hetzij door de belastingplichtige worden onderhouden en opgevoed als een eigen kind hetzij door de belasting- plichtige in het verleden als een eigen kind zijn onderhouden en opgevoed (HR 26 juni 1968, nr. 15 911, BNB 1968/167). Het Hof heeft derhalve terecht het voorzien in het levensonderhoud van de neef niet voldoende geacht om deze als pleegkind aan te merken, maar daarnaast de eis gesteld dat deze als eigen kind wordt of werd opgevoed. Door voor zijn oordeel dat aan deze opvoedingseis niet is voldaan in aanmerking te nemen de leeftijd van de neef, de aard van diens verblijf in het gezin van belanghebbende en de eerde- re opvoeding door en de nog bestaande band met de natuurlijke ouders, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht faalt derhalve in zoverre. 3.4. Voorts doet belanghebbende in cassatie een beroep op bij haar opgewekt vertrouwen. Indien juist zou zijn, zoals belanghebbende voor het eerst in cassatie aanvoert, dat de Inspecteur de uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van de bij haar inwonende neef wel bij het vaststellen van de aanslag over het jaar 1991 als buitengewone last in aftrek heeft toegestaan, zou die enkele omstandigheid de Inspecteur niet hebben behoeven te beletten voor het onderhavige jaar een ander standpunt met betrekking tot deze kosten in te nemen. De klacht faalt derhalve in zoverre eveneens.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in arti- kel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belas- tingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 27 november 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Ba- rendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.