ECLI:NL:HR:1996:AA1746
Hoge Raad
- Cassatie
- Stoffer
- Urlings
- Zuurmond
- Fleers
- Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen vrijstelling onroerendgoedbelasting voor tramremise Scheveningen
Belanghebbende, N.V. Gemengd Bedrijf Haagsche Tramwegmaatschappij (HTM), was eigenaar en feitelijk gebruiker van de tramremise 'Scheveningen' te 's-Gravenhage. Voor het belastingjaar 1990 werden aanslagen onroerendgoedbelasting opgelegd op basis van een heffingsgrondslag van ƒ 14.200.000,--. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof werd de aanslag gehandhaafd.
De kern van het geschil betrof de vraag of de remise viel onder de vrijstelling voor banen voor openbaar vervoer per rail zoals genoemd in artikel 7, lid 1, onderdeel d van de Verordening op de heffing van onroerend goedbelastingen 1986. Het Hof oordeelde dat de remise niet als zodanig kon worden aangemerkt omdat het een gebouw is en niet uitsluitend dienstbaar is aan het verkeer over de trambanen.
In cassatie stelde HTM dat het Hof niet had onderzocht of meerdere remises samen een vrijstelling konden delen, maar dit werd verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Ook het oordeel dat de remise geen trambaan is en niet uitsluitend dienstbaar is aan het railvervoer werd door de Hoge Raad bevestigd.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de aanslagen onroerendgoedbelasting. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van HTM wordt verworpen en de aanslagen onroerendgoedbelasting blijven gehandhaafd.