ECLI:NL:HR:1995:ZD0074
Hoge Raad
- Cassatie
- Hermans
- Keijzer
- Schipper
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het afgeleide verschoningsrecht van een deskundige bij inbeslagname stukken
In deze zaak stond de vraag centraal of stukken die in beslag waren genomen en later bij een registeraccountant werden aangetroffen, onder het afgeleide verschoningsrecht van raadslieden vielen. De rechtbank had geoordeeld dat deze stukken niet als geheim aan de raadslieden waren toevertrouwd voordat zij bij de deskundige terechtkwamen en dat het beroep op het afgeleide verschoningsrecht daarom ongegrond was.
De Officier van Justitie stelde beroep in cassatie, maar werd door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard omdat de schriftuur niet tijdig was ingediend. Mr. W. voerde eveneens beroep aan, gericht op het handhaven van het verschoningsrecht, maar dit werd verworpen omdat de stukken nooit aan de raadslieden waren toevertrouwd en dus geen object van hun verschoningsrecht konden zijn.
De Hoge Raad bevestigde dat het afgeleide verschoningsrecht alleen geldt voor stukken die eerst onder het verschoningsrecht van de raadslieden vielen voordat zij aan een deskundige werden overgedragen. De stelling dat overleg tussen partijen voorafgaand aan de overdracht het verschoningsrecht zou doen ontstaan, werd niet aanvaard. De beschikking van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep van de Officier van Justitie werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van mr. W. verworpen wegens het ontbreken van het afgeleide verschoningsrecht.