Uitspraak
20 oktober 1995.
Hoge Raad
Eiser vorderde schadevergoeding van zijn advocaat omdat deze geen bezwaarschrift had ingediend tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing over 1984. De Rechtbank wees de vordering af, en het Gerechtshof bekrachtigde dit oordeel. Volgens het Hof waren de stellingen onvoldoende om aannemelijk te maken dat het indienen van een bezwaarschrift tot verlaging van de aanslagen zou hebben geleid of dat eiser schade had geleden.
Eiser stelde in cassatie dat het volstaan moest worden met het aannemelijk maken van de mogelijkheid van schade, niet de daadwerkelijke schade. De Hoge Raad oordeelde echter dat het Hof terecht had geoordeeld dat niet aannemelijk was dat het indienen van een bezwaarschrift tot verlaging van de aanslagen zou leiden en dat daardoor ook niet aannemelijk was dat eiser schade had geleden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiser in de kosten van het geding. Daarmee blijft de afwijzing van de schadevordering in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schadevordering afgewezen.