Uitspraak
3 juli 1995.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Partijen zijn in 1950 in Suriname gehuwd. De vrouw is in 1973 met hun negen kinderen naar Nederland gekomen en heeft sindsdien niet meer met de man samengeleefd. In 1991 heeft de vrouw een echtscheidingsverzoek ingediend bij de Surinaamse rechter, waar bij verstek echtscheiding is uitgesproken. De man kwam in verzet, en deze procedure loopt nog. In 1993 heeft de vrouw ook een echtscheidingsverzoek ingediend bij de Nederlandse rechter.
De man stelde dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was wegens litispendentie en dat de vrouw geen belang had bij de Nederlandse procedure omdat er al een procedure in Suriname liep. De rechtbank en het hof verwierpen dit, stellende dat de vrouw vanwege haar gezondheidstoestand en de onzekerheid en vertraging in Suriname wel degelijk belang had bij een Nederlandse beslissing.
De Hoge Raad bevestigde dat de exceptie van litispendentie niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid leidt als de eisende partij een redelijk belang heeft bij de Nederlandse procedure. Ook oordeelde de Hoge Raad dat de Nederlandse rechter niet verplicht is de procedure aan te houden totdat de buitenlandse rechter beslist, zeker niet als de eisende partij belang heeft bij voortzetting.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de man en bepaalde dat elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de Nederlandse rechter bevoegd is vanwege het redelijk belang van de vrouw.