Uitspraak
28 april 1995.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en zijn werkgever over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de betaling van achterstallig loon. De werknemer was sinds april 1990 in dienst en wilde vakantie opnemen in juli 1990, maar werd door de werkgever opgeroepen om te komen werken vanwege spoedwerk. De werknemer weigerde en verscheen niet op het werk. Vervolgens ontstond een conflict over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter wees de vordering van de werknemer toe, maar na verzet en enquête werd de vordering afgewezen. De rechtbank bekrachtigde dit vonnis, waarbij werd geoordeeld dat de werknemer stilzwijgend had ingestemd met het ontslag door niet te reageren en niet te verschijnen op het werk.
De Hoge Raad oordeelt dat instemming met ontslag slechts kan worden aangenomen indien deze duidelijk en ondubbelzinnig blijkt uit een verklaring van de werknemer. Het oordeel van de rechtbank dat uit gedragingen van de werknemer instemming kon worden afgeleid, is onjuist. Daarom wordt het vonnis vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof voor nadere beoordeling, waarbij ook het subsidiaire verweer van de werkgever over ontslag op staande voet opnieuw moet worden onderzocht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor nadere beoordeling.