ECLI:NL:HR:1995:AA3166
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Zuurmond
- Herrmann
- C.H.M. Jansen
- Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt berekening mindering overdrachtsbelasting op successierecht bij fictieve verkrijging
Belanghebbende kreeg van haar moeder een onroerende zaak verkocht onder voorbehoud van gebruik en bewoning, waarbij een deel van de koopsom werd kwijtgescholden. Over de volledige koopsom werd overdrachtsbelasting geheven. Na het overlijden van de moeder werd successierecht geheven over een fictieve verkrijging die rekening houdt met de waarde van de woning en de betaalde koopsom.
Het geschil betrof de vraag welk bedrag aan overdrachtsbelasting in mindering mocht worden gebracht op het successierecht. De Inspecteur stelde dat dit moest gebeuren over 6% van het kwijtgescholden bedrag van ƒ 20.000,--, terwijl belanghebbende stelde dat dit over 6% van de volledige fictieve verkrijging van ƒ 39.738,-- moest gebeuren.
Het Hof stelde belanghebbende in het gelijk, maar de Hoge Raad vernietigde dit arrest en bevestigde de uitspraak van de Inspecteur. De Hoge Raad oordeelde dat dubbele heffing moet worden voorkomen, maar dat deze zich slechts voordoet voor zover overdrachtsbelasting is geheven over het bedrag dat ook voor het successierecht in aanmerking komt. Omdat over het verschil tussen de waarde van de woning en de koopsom geen overdrachtsbelasting is betaald, kan de mindering niet over de volledige fictieve verkrijging worden berekend.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere resoluties en jurisprudentie die de strekking van artikel 10, lid 4 van de Successiewet 1956 bevestigen, en concludeert dat de aanslag zoals verminderd door de Inspecteur niet te hoog is vastgesteld. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de mindering van overdrachtsbelasting op het successierecht moet worden berekend over het kwijtgescholden bedrag van ƒ 20.000,-- en vernietigt het arrest van het Hof.