Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1995:AA3143

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30797
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Urlings
  • Herrmann
  • C.H.M. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26b Wet op de loonbelasting 1964Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing van naheffingsaanslag loonbelasting wegens onvoldoende motivering brutering

Belanghebbende, een besloten vennootschap, kreeg voor het jaar 1990 een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd wegens betalingen aan niet bij naam bekende werknemers zonder inhouding van loonbelasting. De Inspecteur had de nettolonen van ƒ 12.637,-- gebruteerd tot een brutoloon van ƒ 40.554,-- en daarop het tarief van anonieme werknemers toegepast.

Het hof bevestigde de naheffingsaanslag, maar de Hoge Raad stelt vast dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of de Inspecteur de brutering correct heeft uitgevoerd. De stelling van belanghebbende dat de namen van werknemers wel bekend waren, kan in cassatie niet worden onderzocht omdat dit een feitelijke beoordeling vereist.

De Hoge Raad oordeelt dat de berekening van de brutering twijfel oproept en dat het hof zich daarvan had moeten vergewissen. Omdat dit niet is gebeurd, kan het arrest van het hof niet in stand blijven en wordt de zaak verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.

De Hoge Raad wijst proceskostenveroordeling af en gelast vergoeding van de griffierechten aan belanghebbende. Het arrest is uitgesproken op 22 november 1995.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar het Gerechtshof te Amsterdam.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 oktober 1994 betreffende na te melden aan haar opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1990 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 24.601,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 6.083,-- aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit geen verdere kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak en dat besluit bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten en ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Bij belanghebbende is bij een in augustus 1991 ingesteld boekenonderzoek voor de loonbelasting vastgesteld dat in 1990 een aantal personen, die niet bij naam bekend zijn, voor belanghebbende in dienstbetrekking werkzaamheden heeft verricht. Belanghebbende heeft aan deze personen terzake van de door hen verrichte werkzaamheden betalingen gedaan tot een bedrag van ƒ 12.637,--. Op deze betalingen hebben geen inhoudingen plaatsgevonden. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur over 1990 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, waarbij hij de uitbetaalde nettolonen van ƒ 12.637,-- heeft gebruteerd en daarop het tarief anonieme werknemers als bedoeld in artikel 26b, tweede volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst tot 1 juni 1994, hierna: de Wet) heeft toegepast, uitgaande, na brutering, van een brutoloon van ƒ 40.554,--. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd naar een gebruteerd loon en met toepassing van het tarief van artikel 26b van de Wet. 3.3. In cassatie voert belanghebbende aan dat de namen van de werknemers bij haar bekend waren. Nu belanghebbende aldus in cassatie feiten aanvoert waarvan uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat daarop ook reeds voor het Hof een beroep is gedaan, kan op die feiten geen acht worden geslagen, omdat zulks een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats meer is. In zoverre kunnen de klachten dus niet tot cassatie leiden. 3.4. Voor het overige kunnen de klachten evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.5. Het Hof heeft met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat het absurd is dat over netto-betalingen van ƒ 12.637,-- een bedrag van ƒ 24.601,-- aan loonbelasting en premie volksverzekeringen wordt geheven, geoordeeld dat die stelling niet aan de juistheid van de naheffingsaanslag kan afdoen. 3.6. Dit oordeel behoefde echter nadere motivering. Immers, gelet op de bij de zogenaamde brutering te bezigen percentages aan overhevelingstoeslag en aan premies sociale werknemersverzekeringen, zoals die voor het onderhavige loontijdvak golden, is aan de juistheid van de door de Inspecteur uitgevoerde berekening van het bij nettoloonbetalingen van in totaal ƒ 12.637,-- behorende brutoloon zodanige twijfel gerechtvaardigd, dat het Hof niet van de juistheid op dit punt van de naheffingsaanslag had mogen uitgaan zonder zich ervan te vergewissen dat de Inspecteur de berekening correct heeft uitgevoerd. 3.7. Nu uit de uitspraak van het Hof niet blijkt dat het Hof zich daarvan heeft vergewist, zodat - mede in aanmerking genomen dat ook de stukken van het geding over die berekening geen uitsluitsel geven - ervan moet worden uitgegaan dat het Hof zulks niet heeft gedaan, kan de uitspraak niet in stand blijven en moet verwijzing volgen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,-- alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht terzake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 75,--.
Dit arrest is op 22 november 1995 vastgesteld door de raadsheer Urlings als voorzitter, en de raadsheren Herrmann en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.