ECLI:NL:HR:1995:AA3119

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30459
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • C.H.M. Jansen
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968Art. 42 lid 2 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over naheffingsaanslag omzetbelasting en verwijst zaak terug

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1987-1990 ter hoogte van ƒ 603,--, welke na bezwaar en beroep door het Hof Amsterdam werd bevestigd. De Hoge Raad nam het cassatieberoep van belanghebbende in behandeling en onderzocht de rechtmatigheid van de naheffing.

Het Hof had geoordeeld dat de Inspecteur terecht 13% van ƒ 4.644,-- had nageheven op grond van artikel 15 lid 1 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 en artikel 42 lid 2 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De Hoge Raad stelde echter vast dat dit oordeel niet stand kon houden, mede gelet op een gelijktijdig gewezen arrest (nr. 30.460) waarin een soortgelijke kwestie werd behandeld.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof Amsterdam en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling in een meervoudige kamer. Tevens werd bepaald dat de Staatssecretaris van Financiën het door belanghebbende betaalde griffierecht van ƒ 300,-- moet vergoeden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 mei 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1987 tot en met 31 december 1990 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 603,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klachten Het Hof heeft, onder verwijzing naar zijn op dezelfde datum ten aanzien van belanghebbende gedane uitspraak inzake de heffing van inkomstenbelasting over het jaar 1990, geoordeeld dat de Inspecteur - op grond van het bepaalde in artikel 15, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (tekst 1990) - terecht 13% van ƒ 4.644,-- - het bedrag waarmee voor de heffing van de inkomstenbelasting op grond van het bepaalde in artikel 42, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1990) belanghebbendes aangifte is gecorrigeerd - ofwel ƒ 603,-- heeft nageheven. Voor zover de klachten tegen dit oordeel opkomen, treffen zij doel. De Hoge Raad heeft in zijn heden gewezen arrest, nr. 30.460, voormelde uitspraak vernietigd en het geding verwezen naar een ander gerechtshof. Dit brengt mee dat de onderhavige uitspraak evenmin in stand kan blijven en eveneens verwijzing dient te volgen. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere beoordeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, en gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--.
Dit arrest is op 27 september 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.