ECLI:NL:HR:1995:AA3117

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30456
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Stoffer
  • Wildeboer
  • Urlings
  • Zuurmond
  • Herrmann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 283a Gemeentewet (oud)Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag parkeerbelasting ondanks defecte parkeerautomaat

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Bussum voor parkeren op 19 januari 1993, bestaande uit belasting en kosten. Na bezwaar werd de aanslag gehandhaafd door het gemeentelijke bestuursorgaan en bevestigd door het Gerechtshof Amsterdam.

In cassatie betoogde belanghebbende dat de kosten niet in rekening mochten worden gebracht omdat de Verordening niet duidelijk maakte onder welke omstandigheden kosten bij naheffing konden worden opgelegd. Ook werd aangevoerd dat de parkeerautomaat defect was, wat volgens belanghebbende tot het niet opleggen van de naheffingsaanslag had moeten leiden.

De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 283a, lid 6, van de Gemeentewet (oude tekst) kosten bij naheffingsaanslagen in rekening mogen worden gebracht. Het defect van de parkeerautomaat leidt niet tot het vervallen van de naheffingsaanslag. De overige klachten werden niet ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten. Deze uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van kostenheffing bij naheffingsaanslagen parkeerbelasting, ook bij defecte automaten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de naheffingsaanslag parkeerbelasting inclusief kosten blijft gehandhaafd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 juni 1994 betreffende na te melden aan haar opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is terzake van het parkeren op 19 januari 1993 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Bussum opgelegd ten bedrage van ƒ 54,-- bestaande uit ƒ 1,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 53,-- kosten. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de centrale afdeling financiën en administratie van de gemeente Bussum gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Gemeente heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. Belanghebbende herhaalt in cassatie haar voor het Hof aangevoerde stelling dat de naheffingsaanslag voor wat betreft de in rekening gebrachte kosten niet in stand kan blijven, omdat uit de Verordening niet blijkt onder welke omstandigheden bij het opleggen van een naheffingsaanslag kosten in rekening kunnen worden gebracht. 3.2. Wanneer belasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald kan deze op grond van artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden nageheven. Naar luid van artikel 283a, lid 6, van de Gemeentewet (tekst tot 1994) worden ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag kosten in rekening gebracht. Het enkele feit dat - naar belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd - de parkeerautomaat defect zou zijn geweest, brengt niet mee dat de gemeente van het opleggen van een naheffingsaanslag moest afzien. 3.3. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep
Dit arrest is op 22 november 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken.