ECLI:NL:HR:1995:AA3101
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verkrijgingsprijs bonusaandelen ten laste van agioreserve bij winst uit aanmerkelijk belang
Belanghebbende werd voor het jaar 1983 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd over een belastbaar inkomen waarin een groot deel was belast volgens artikel 57, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Na bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie de vraag of de verkrijgingsprijs van bonusaandelen die ten laste van de agioreserve waren toegekend en later vervreemd, verhoogd moet worden indien na uitreiking van die bonusaandelen op andere aandelen nog stortingen zijn verricht.
De Hoge Raad nam aan dat belanghebbende op 23 september 1983 dergelijke bonusaandelen had vervreemd zonder dat er een bedrag als dividend was beschouwd of toebetalingen waren verricht. Het Hof had geoordeeld dat de verkrijgingsprijs volgens artikel 39, lid 6, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op nihil moet worden gesteld en dat dit niet onredelijk was noch in strijd met doel en strekking van de wet.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de oordelen van het Hof. Tevens wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af. Het arrest werd op 4 oktober 1995 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verkrijgingsprijs van bonusaandelen ten laste van de agioreserve nihil is.