ECLI:NL:HR:1995:AA3098

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
28896
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Stoffer
  • Urlings
  • Zuurmond
  • Herrmann
  • Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt belastingaanslag inkomstenbelasting 1987 wegens onjuiste waardering vruchtgebruik

Belanghebbende, die in 1986 80 jaar werd en in 1990 overleed, verkreeg in 1983 via legaat het levenslang vruchtgebruik op aandelen en obligaties met een waarde van ƒ 475.000. Begin 1987 richtte hij een besloten vennootschap op en bracht het vruchtgebruik in als volstorting, waarbij hij een vordering van ƒ 75.010 kreeg wegens overinbreng.

De Inspecteur rekende op grond van artikel 31 lid 1 Wet Pro inkomstenbelasting 1964 het volledige bedrag van ƒ 475.000 tot het belastbare inkomen, stellende dat de vervreemding van het vruchtgebruik een transactie in de inkomstensfeer betrof vanwege de korte resterende genotsperiode. Het Hof bevestigde dit standpunt.

De Hoge Raad oordeelt dat de vervreemding van een voor de maximale termijn gevestigd vruchtgebruik op effecten, ook bij een korte resterende genotsperiode, een vermogensrechtelijke transactie is en niet belast in de inkomstenbelasting, tenzij de eerdere vestiging zelf een inkomstentransactie was, wat hier niet het geval is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof en de aanslag, en stelt het belastbare inkomen vast op het door belanghebbende opgegeven bedrag van ƒ 67.185.

De Hoge Raad gelast voorts de Staatssecretaris van Financiën de proceskosten van de erfgenamen te vergoeden en stelt hen in de gelegenheid zich uit te laten over een eventuele veroordeling van de wederpartij in de cassatiekosten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 67.185.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van X (hierna: belanghebbende) te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 april 1992 betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1987 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1987 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 542.898,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie 2.1. De erfgenamen van belanghebbende hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. De Staatssecretaris van Financiën heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende, die einde 1986 80 jaar is geworden en in 1990 is overleden, heeft in 1983 krachtens legaat het levenslang recht van vruchtgebruik verkregen van een pakket aandelen en obligaties. De waarde van dit recht van vruchtgebruik bedroeg begin 1987 ƒ 475.000,--. Bij de berekening van deze waarde is uitgegaan van een levensverwachting van een 80-jarige van 6,08 jaar. Belanghebbende heeft op 18 februari 1987 een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (hierna: de B.V.) opgericht. Het geplaatste kapitaal bedroeg ƒ 400.000,--, waarin belanghebbende voor een bedrag van ƒ 399.990,-- deelnam. Ter voldoening aan zijn volstortingsverplichting heeft hij vorenbedoeld recht van vruchtgebruik ingebracht. Wegens overinbreng kreeg hij op de B.V. een vordering van ƒ 75.010,--. De Inspecteur heeft op de voet van artikel 31, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een bedrag van ƒ 475,000,-- tot het belastbare inkomen van belanghebbende gerekend. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vervreemding door belanghebbende van het vruchtgebruik een transactie in de inkomstensfeer is omdat bij de vervreemding slechts een betrekkelijk korte genotsperiode was te verwachten. Middel I keert zich tegen dit oordeel. 3.3. De vervreemding tegen een tegenprestatie voor de resterende periode van de looptijd van een voor de maximale termijn gevestigd recht van vruchtgebruik op effecten is, tenzij de eerdere vestiging van dat vruchtgebruik moest worden beschouwd als een transactie in de inkomstensfeer - welk geval zich hier niet voordoet - een transactie in de vermogenssfeer en derhalve voor de heffing van de inkomstenbelasting onbelast. Dit is niet anders indien bij de vervreemding nog slechts een korte genotsperiode was te verwachten. 3.4. Middel I is derhalve gegrond. Middel II behoeft geen behandeling meer. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het belastbare inkomen moet worden vastgesteld op het door belanghebbende in zijn aangifte vermelde bedrag van ƒ 67.185,--.
4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken de erfgenamen van belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede die van de Inspecteur, vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 67.185,--, gelast de Staatssecretaris van Financiën aan de erfgenamen van belanghebbende te vergoeden het door belanghebbende voor de behandeling van de zaak voor het Hof gestorte griffierecht van ƒ 75,-- en het door de erfgenamen voor de behandeling van het beroep in cassatie gestorte griffierecht van ƒ 300,--, derhalve in totaal ƒ 375,-- en stelt de erfgenamen van belanghebbende in de gelegenheid binnen zes weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, in raadkamer van 15 maart 1995.