ECLI:NL:HR:1995:AA3095
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing milieuverklaring wegens te late aanvraag na ingebruikneming installatie
Belanghebbende verzocht op grond van de Wet investeringsrekening (WIR) om een verklaring omtrent een investering in een ketel/branderinstallatie die van belang is voor een goed leefmilieu. De Minister van Economische Zaken wees dit verzoek af omdat het niet binnen de vereiste termijn van zes maanden na ingebruikneming was ingediend. Belanghebbende stelde dat de feitelijke ingebruikneming later was dan de opgegeven datum, omdat de installatie gebreken vertoonde die pas later waren verholpen.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verwierp het beroep van belanghebbende en oordeelde dat de datum van ingebruikneming op 1 december 1988 juist was, mede omdat de installatie vanaf die datum ondanks gebreken het tuinbouwcomplex verwarmde en nutsopbrengst leverde. De wijziging van de bedrijfseconomische datum van ingebruikneming door de Belastingdienst werd niet als bepalend gezien voor de milieuverklaring.
In cassatie stelde belanghebbende dat het College geen onafhankelijk rechtscollege was, verwijzend naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, maar dit werd verworpen omdat de toepasselijke wetgeving dit uitsluit. De Hoge Raad concludeerde dat de beslissing van het College geen onjuiste rechtsopvatting bevatte en verwierp het cassatieberoep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het verzoek om een milieuverklaring wegens te late indiening.