ECLI:NL:HR:1995:AA3083

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29837
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Bellaart
  • De Moor
  • C.H.M. Jansen
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieWet op de motorrijtuigenbelasting 1966Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt gedeeltelijke kwijtschelding motorrijtuigenbelastingverhoging wegens beperkte financiële draagkracht gebruiker

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd voor de periode 1 april 1990 tot en met 31 januari 1991, inclusief een verhoging. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag en weigerde kwijtschelding van de verhoging. Het Hof Arnhem bevestigde de aanslag maar vernietigde het besluit tot weigering van kwijtschelding en verleende een kwijtschelding van 50% van de verhoging.

De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht rekening hield met het feit dat de auto feitelijk toebehoorde aan en uitsluitend werd gebruikt door de zoon van belanghebbende, die beperkte financiële middelen had vanwege zijn militaire dienstplicht.

De Hoge Raad vond het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk of onjuist en wees het cassatieberoep af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest bevestigt dat bij de beoordeling van kwijtschelding van belastingverhogingen ook de feitelijke situatie van de gebruiker kan worden meegewogen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt gedeeltelijke kwijtschelding van de belastingverhoging.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 6 augustus 1993 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken 00-00-AA een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 1 april 1990 tot en met 31 januari 1991, ten bedrage van ƒ 1.177,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 1.177,-- aan verhoging. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd, doch dat besluit heeft vernietigd en kwijtschelding van de verhoging heeft verleend tot op 50 percent. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Van Soest heeft op 28 juni 1994 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het in de omstandigheden dat de onderhavige auto in feite toebehoort aan de zoon van belanghebbende en ook uitsluitend door deze zoon wordt gebruikt, en deze zoon na zijn studie op dit moment zijn militaire dienstplicht vervult en derhalve over beperkte financiële middelen beschikt, aanleiding vindt van de toegepaste verhoging van ƒ 1.177,-- 50% kwijt te schelden.
3.2. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst; het is ook niet onbegrijpelijk. Hieraan doet niet af dat belanghebbende, en dus niet de zoon, als voor de betaling van de belasting aansprakelijke houder van de auto is aangemerkt, nu het Hof, gelet op de omstandigheid dat de zoon eigenaar en gebruiker van de auto was, kennelijk heeft aangenomen dat naast de overige aan het gebruik van de auto verbonden kosten ook de uit de onderhavige aanslag voortvloeiende financiële gevolgen niet ten laste van belanghebbende, doch ten laste van de zoon kwamen, waarbij het Hof kennelijk ervan is uitgegaan dat de zoon over geen andere bron van inkomsten beschikte dan de militaire dienst. Voor zover het middel zich tegen voormeld oordeel keert, faalt het derhalve.
3.3. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep, en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de Staatssecretaris van Financiën wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,-.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, De Moor, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 8 maart 1995.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep een recht geheven van ƒ 300,--.
Van de beslissing omtrent de verhoging wordt mededeling gedaan ter openbare terechtzitting van 22 maart 1995.