ECLI:NL:HR:1995:AA3049
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Wildeboer
- Urlings
- Herrmann
- Fleers
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 25 Successiewet leidt niet tot verboden ongelijke behandeling van gehuwde ouders
Belanghebbenden, gehuwde ouders die niet van tafel en bed gescheiden zijn, ontvingen een aanslag in het recht van successie over hun verkrijging uit de nalatenschap van hun overleden ouder. De Inspecteur had artikel 25 van Pro de Successiewet 1956 toegepast, waarbij de verkrijgingen van beide ouders werden samengevoegd en verminderd met de vrijstelling uit artikel 32 van Pro die wet. Belanghebbenden maakten bezwaar en kwamen in beroep bij het Hof, dat de aanslag bevestigde.
In cassatie stond centraal of de toepassing van artikel 25 leidt Pro tot een ongelijke behandeling die in strijd is met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP). Dit artikel verbiedt discriminatie. De Hoge Raad onderzocht de wetsgeschiedenis en de bedoeling van artikel 25, dat is overgenomen uit de Successiewet 1859, en concludeerde dat de regeling ook van toepassing is op verkrijgingen bij versterf.
De Hoge Raad overwoog dat de wetgever heeft aangenomen dat bij gehuwde, niet van tafel en bed gescheiden personen de vermogensrechtelijke verhoudingen en verplichtingen een economische eenheid vormen, waardoor de verkrijgingen als één worden beschouwd. Dit onderscheid met niet-gehuwde samenwonenden is gerechtvaardigd en niet in strijd met artikel 26 IVBP Pro.
De klachten van belanghebbenden dat zij hierdoor ongelijk worden behandeld faalden. De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en veroordeelde hen niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde de toepassing van artikel 25 Successiewet 1956 zonder proceskostenveroordeling.