ECLI:NL:HR:1995:AA3037
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ondernemerschap handelsagent voor inkomstenbelasting 1988
Belanghebbende, een handelsagent, kreeg voor het jaar 1988 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 45.997. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd deze aanslag verminderd tot ƒ 38.074. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende als ondernemer in de zin van artikel 6 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964 kon worden aangemerkt. Het Hof oordeelde dat belanghebbende wel degelijk een onderneming dreef, ondanks geringe investeringen, het ontbreken van voorraad- en debiteurenrisico's en de vermeende afhankelijkheid van één opdrachtgever.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof, waarbij werd overwogen dat het Hof de bewijslast correct had verdeeld en dat het oordeel dat belanghebbende ondernemersrisico liep feitelijk en niet onbegrijpelijk was. Ook het argument dat er slechts één opdrachtgever was, werd door het Hof terecht verworpen. Het cassatieberoep werd verworpen en belanghebbende kreeg gelegenheid zich uit te laten over proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat belanghebbende als handelsagent in 1988 een onderneming dreef voor de inkomstenbelasting.