ECLI:NL:HR:1995:AA3026

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29994
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Bellaart
  • De Moor
  • C.H.M. Jansen
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 lid 2 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing autokostenforfait bij gemengd privé- en zakelijk gebruik auto

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1987 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar werd verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 420.278. Tegen deze uitspraak ging belanghebbende in beroep bij het Hof Amsterdam, dat de aanslag bevestigde. Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte het autokostenforfait had toegepast, terwijl hij stelde dat de auto nagenoeg uitsluitend voor zakelijke doeleinden werd gebruikt.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende, die de bewijslast droeg, onvoldoende bewijs had geleverd voor het zakelijke gebruik van de auto, mede omdat geen kilometeradministratie was bijgehouden over de jaren 1986 tot en met 1990. Het Hof wees ook klachten over het niet in ontvangst nemen van kilometeradministraties over latere jaren af en oordeelde dat een compromisvoorstel van de Inspecteur niet door belanghebbende was aanvaard.

De Hoge Raad toetste het oordeel van het Hof niet inhoudelijk omdat het een feitelijke beoordeling betreft en verwierp het cassatieberoep. Tevens wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af en bepaalde terugbetaling van een griffierecht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het autokostenforfait blijft van toepassing.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 oktober 1993 betreffende de hem voor het jaar 1987 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1987 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 420.278,--. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Tot belanghebbendes ondernemingsvermogen behoort een personenauto, merk BMW 524td, met een catalogusprijs van ƒ 55.000,--. Alle kosten van deze auto zijn door belanghebbende ten laste van de winst gebracht, dus zonder toepassing van de autokostenfictie van artikel 42, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De auto wordt ook voor privé-doeleinden gebruikt. Belanghebbende heeft van deze auto van 1986 tot en met 1990 geen kilometeradministratie bijgehouden.
3.2. Het Hof heeft beslist dat de Inspecteur terecht het autokostenforfait heeft toegepast. Deze beslissing is gegrond op 's Hofs oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, voor zijn stelling dat de tot het ondernemingsvermogen behorende personenauto nagenoeg uitsluitend ten behoeve van zijn onderneming is gebruikt, geen bewijs heeft bijgebracht, waarbij het Hof heeft overwogen dat aan de situatie in 1991 of enig jaar later wat dit betreft geen betekenis toekomt. Dit oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. De klacht volgens welke het Hof zou hebben geweigerd de kilometeradministraties over 1991 en 1992 in ontvangst te nemen, mist feitelijke grondslag, nu zulks niet blijkt uit 's Hofs uitspraak, die in cassatie de enige kenbron is van hetgeen ter zitting van het Hof is voorgevallen. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat aan het door belanghebbende niet (tijdig) aanvaarde compromis de Inspecteur niet is gebonden. Nu 's Hofs uitspraak noch de stukken van het geding aanleiding geven voor de veronderstelling dat het door de Inspecteur gedane aanbod na afloop van de door deze gestelde termijn door belanghebbende is aanvaard, kan de tegen laatstvermeld oordeel van het Hof gerichte klacht niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep, en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, De Moor, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 1 februari 1995.