ECLI:NL:HR:1995:AA1684
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onrechtmatigheid inhouding loonbelasting op stakingsuitkering vakbondslid
Belanghebbende, lid van de Industriebond FNV, ontving in oktober 1989 een stakingsuitkering waarop ƒ 40,-- loonbelasting werd ingehouden. Na afwijzing van bezwaar door de Inspecteur, oordeelde het Hof Leeuwarden dat deze inhouding onterecht was, omdat de wettelijke grondslag voor inhouding (art. 11 lid 1 letter Pro m Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965) onverbindend is en de uitkering onder een vrijstelling valt.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat uitkeringen uit een stakingskas deel uitmaken van het complex van rechten en verplichtingen voortvloeiend uit het lidmaatschap van de vakbond en daarom niet als periodieke uitkeringen in de zin van art. 34 Wet Pro loonbelasting 1964 kunnen worden gezien. Hierdoor ontbeert het Uitvoeringsbesluit de verbindende kracht.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de stakingsuitkering niet als loonbelastingplichtig inkomen kan worden aangemerkt en dat de vrijstelling voor fondsuitkeringen van toepassing is. Het cassatieberoep wordt verworpen en belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de inhouding van loonbelasting op de stakingsuitkering onterecht was.