ECLI:NL:HR:1995:AA1671

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 september 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30431
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 letter b Wet op de omzetbelasting 1968Art. 15 lid 2 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag omzetbelasting wegens onjuiste kwalificatie verhuur

Belanghebbende, een besloten vennootschap, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1986-1988. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof werd de aanslag gehandhaafd. De Hoge Raad vernietigde eerder het vonnis van het Hof en verwees de zaak terug voor herbeoordeling.

In het tweede geding oordeelde het Hof dat sprake was van één prestatie door terbeschikkingstelling van een pand met bowlingbanen, wat overeenkomt met verhuur van onroerend goed, waardoor aftrek van voorbelasting werd uitgesloten. De Hoge Raad stelde echter vast dat het Hof buiten de rechtsstrijd was getreden door deze prestatie te kwalificeren, aangezien dit niet door de Inspecteur was gesteld.

De Hoge Raad oordeelde dat de terbeschikkingstelling van de bowlingbanen niet als verhuur van onroerend goed kan worden aangemerkt, omdat geen rechtstreeks verband tussen prestatie en terbeschikkingstelling was vastgesteld en de terbeschikkingstelling van de bowlingbanen niet tegen vergoeding plaatsvond.

Daarom werd de naheffingsaanslag verminderd met ƒ 15.200 aan enkelvoudige belasting en de verhoging verviel. Tevens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over proceskosten. Het arrest werd op 6 september 1995 uitgesproken.

Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting wordt verminderd tot ƒ 30.804 zonder verhoging.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 juni 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag en bezwaar Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1986 tot en met 31 december 1988 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 46.004,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 16.501,-- aan verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit geen verdere kwijtschelding van de verhoging te verlenen.
2. Loop van het geding tot dusverre Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. De uitspraak van dit Hof van 11 november 1991 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1993, BNB 1993/121, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
4. Beoordeling van het middel van cassatie 4.1. Het Hof heeft - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van verhuur van onroerend goed als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), aangezien met name niet is komen vast te staan dat E tegenover belanghebbende een prestatie heeft verricht waarbij sprake is van een rechtstreeks verband tussen de terbeschikkingstelling en die prestatie.
4.2. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende één prestatie heeft geleverd door aan E ter beschikking te stellen een pand waarin de bowlingbanen zijn geïnstalleerd, en dat deze terbeschikkingstelling van een onroerende zaak naar zijn aard overeenkomt met de in artikel 11, lid 1, letter b van de Wet, vermelde verhuur van onroerend goed, zodat gelet op de rechtsoverwegingen onder 4.2 van het arrest van de Hoge Raad van 24 april 1991, BNB 1991/206, aftrek van voorbelasting is uitgesloten.
4.3. Het in 4.1 vermelde oordeel brengt mee dat de terbeschikkingstelling van de bowlingbanen door belanghebbende aan E, aangezien deze - naar in bedoeld oordeel ligt besloten - niet tegen vergoeding is geschied, niet als verhuur kan worden aangemerkt, noch daarmee voor de toepassing van artikel 15, lid 2, in samenhang met artikel 11, lid 1, letter b, van de Wet naar haar aard overeenkomt.
4.4. Met het oordeel dat belanghebbende één prestatie heeft geleverd door aan E ter beschikking te stellen een pand waarin de bowlingbanen zijn geïnstalleerd is het Hof buiten de rechtsstrijd getreden, aangezien zulks door de Inspecteur niet was gesteld.
4.5. Het middel is derhalve gegrond. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De aanslag dient te worden verminderd met ƒ 15.200,-- aan enkelvoudige belasting. Aangezien, naar in onderdeel 3 van de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam is overwogen, niet meer in geschil is dat de verhoging dient te vervallen, moet de aanslag tevens dienovereenkomstig worden verminderd.
5. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
6. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede die van de Inspecteur, vermindert de naheffingsaanslag tot een aanslag ten bedrage van ƒ 30.804,--, zonder verhoging, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.
Dit arrest is op 6 september 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.