ECLI:NL:HR:1995:AA1616
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Wildeboer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gebruikelijkheidscriterium voor aftrek vakliteratuur kosten in inkomstenbelasting
Belanghebbende, werkzaam als belastinginspecteur, had voor het jaar 1991 vakliteratuurkosten van ƒ 1.419 opgevoerd, waarvan de Inspecteur slechts ƒ 750 als aftrekbaar erkende. Het Hof Arnhem bevestigde deze beperking, stellende dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hogere uitgaven gebruikelijk waren.
De Hoge Raad overweegt dat sinds de wetswijziging van 1989 het criterium voor aftrekbaarheid is aangescherpt: kosten zijn aftrekbaar voor zover zij niet de gebruikelijke omvang overschrijden. Dit gebruikelijkheidscriterium omvat zowel een kwantitatief als kwalitatief aspect, waarbij de omvang van de uitgaven moet worden vergeleken met wat in de beroepsgroep gebruikelijk is.
De Hoge Raad stelt dat het Hof ten onrechte het begrip 'gebruikelijk' uitsluitend kwantitatief heeft uitgelegd en bovendien de bewijslast onjuist bij de belastingplichtige heeft gelegd. De bewijslast voor het overschrijden van het gebruikelijkheidscriterium rust op de Inspecteur. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Hof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling, met inachtneming van deze maatstaven.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van het omvangscriterium voor aftrekbare kosten en bevestigt dat de Inspecteur moet aantonen dat kosten de gebruikelijke omvang overschrijden. Dit arrest heeft belangrijke gevolgen voor de fiscale praktijk en de beoordeling van aftrekposten bij inkomstenbelasting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak voor herbeoordeling met inachtneming van het gebruikelijkheidscriterium en de juiste bewijslastverdeling.