ECLI:NL:HR:1995:AA1612
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Wildeboer
- Urlings
- Zuurmond
- Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aanslag inkomstenbelasting 1990 ondanks verdeling bungalowopbrengst
Belanghebbende en zijn dochter zijn gezamenlijk eigenaar van een bungalow die zij verhuren. Belanghebbende financierde zijn aandeel met eigen vermogen, terwijl de dochter een hypothecaire lening afsloot. De rente over deze lening werd bij de dochter in aanmerking genomen bij de belastingaanslag. De netto-opbrengst uit verhuur bedroeg ƒ 757,42 exclusief hypotheekrente.
Belanghebbende stelde dat de verdeling van de opbrengst zodanig was dat de dochter ten minste de hypotheekrente zou ontvangen, waardoor hij een negatieve opbrengst verantwoordde. Het Hof oordeelde echter dat deze achteraf gemaakte verdeling niet afdoet aan de feitelijke inkomstenverdeling volgens de eigendomsverhoudingen en dat belanghebbende een derde van de netto-opbrengst moet aangeven.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof en wijst het cassatieberoep af. De klachten tegen het oordeel falen en behoeven geen nadere motivering. De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat belanghebbende een derde van de netto-opbrengst uit verhuur moet aangeven.