ECLI:NL:HR:1995:AA1588
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Wildeboer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing aftrek meegekochte rente op kasbiljetten in inkomstenbelasting 1988
Belanghebbende kocht in 1988 kasbiljetten van de Algemene Bank Nederland N.V. met een nominale waarde van ƒ 700.000 tegen een lagere prijs, waarbij een bedrag aan meegekochte rente was begrepen. De Inspecteur handhaafde de aanslag inkomstenbelasting over 1988, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof, dat de aanslag bevestigde. Het geschil betrof de vraag of de meegekochte rente als aftrekbare kosten kon worden beschouwd.
Het Hof oordeelde dat het heffingssysteem voor discontorente uit artikel 25 lid 1 aanhef Pro en letter a Wet IB 1964, alsmede artikel 27 lid 1 eerste Pro volzin, aan aftrek van meegekochte rente in de weg staan. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel, waarbij het Hof ten onrechte aannam dat disconto geen rente in juridische zin is, maar dit doet niet af aan de toepassing van artikel 27 lid Pro 1. De Hoge Raad benadrukt dat rente in de zin van artikel 27 lid 1 moet Pro worden verstaan als de vergoeding tussen geldgever en geldnemer voor het ter beschikking stellen van de hoofdsom.
De Hoge Raad wijst verder op praktische problemen bij toepassing van het meegekochte-rente-systeem en geeft de voorkeur aan de regeling van artikel 27 lid 1 Wet Pro IB 1964, waarbij rente wordt toegerekend naar rato van de bezitsperiode. Het beroep in cassatie wordt verworpen en er worden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat meegekochte rente op kasbiljetten niet aftrekbaar is volgens artikel 27 lid 1 Wet IB 1964.