ECLI:NL:HR:1995:AA1575
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat boetes voor te laat teruggebrachte videobanden omzetbelastingplichtige vergoeding zijn
De zaak betreft een cassatieberoep van een fiscale eenheid tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de omzetbelasting op bedragen die huurders betalen voor het te laat terugbrengen van videobanden.
De Inspecteur had teruggaaf van omzetbelasting over januari 1992 verleend tot een beperkt bedrag, wat na bezwaar gehandhaafd werd. Het Hof bevestigde deze beslissing en oordeelde dat de boetes die huurders betalen voor het te laat terugbrengen van videobanden feitelijk een vergoeding zijn voor het ter beschikking houden van die banden, en dus een dienst vormen in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel. Het hof stelde vast dat de boete gelijk is aan de dagverhuurprijs vermenigvuldigd met het aantal dagen dat de band te laat is, en dat dit bedrag een vergoeding is die rechtstreeks verband houdt met het gebruik van de videoband, ook als dat gebruik na afloop van de oorspronkelijke huurperiode plaatsvindt.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en laat de uitspraak van het Hof in stand, waarmee wordt bevestigd dat deze boetes omzetbelastingplichtige vergoedingen zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de boetes voor te laat teruggebrachte videobanden omzetbelastingplichtige vergoedingen zijn.