ECLI:NL:HR:1995:AA1564

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 mei 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30419
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer Herrmann
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 lid 1 aanhef en letter f Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vermindering aanslag inkomstenbelasting wegens kledingkosten niet als werkkleding

Belanghebbende, werkzaam als verkoopster in een damesmodezaak, was verplicht tijdens werktijd kleding uit de collectie te dragen, waarvan de kosten voor eigen rekening waren. In haar belastingaangifte trok zij kosten voor aanschaf, reparatie en reiniging van deze kleding af.

Het hof oordeelde dat deze kleding, vanwege de verplichting en het exclusieve verband met de beroepsuitoefening, als werkkleding moest worden aangemerkt en stond de aftrek toe, waardoor de aanslag werd verminderd.

De Hoge Raad stelt echter dat de wetgever niet heeft bedoeld kleding die geschikt is voor normaal dagelijks gebruik als werkkleding te beschouwen enkel omdat het verplicht is door de werkgever. Daarom vernietigt de Hoge Raad het hofarrest en bevestigt de aanslag van de inspecteur.

De Hoge Raad acht geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten en bepaalt terugbetaling van griffierecht aan de Staatssecretaris van Financiën. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 1995.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en bevestigt de aanslag inkomstenbelasting zonder aftrek van kledingkosten.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 mei 1994 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 15.411,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 14.359,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is werkzaam als verkoopster in een damesmodezaak. Belanghebbende was verplicht tijdens de openingstijden van de winkel kleding uit de collectie te dragen. De kosten van de aanschaf, reparatie en reiniging komen voor rekening van belanghebbende. In haar aangifte heeft belanghebbende ondermeer uitgaven voor kleding, reparatie van kleding, reiniging en onderhoud van kleding als aftrekbare kosten in aanmerking genomen. 3.2. Het Hof heeft ervan uitgaande dat de kleding die belanghebbende tijdens haar werk als verkoopster verplicht is te dragen, in het algemeen niet als werkkleding is aan te merken geoordeeld dat dit in het onderhavige geval anders is nu vaststaat dat die kleding door belanghebbende gedurende de openingstijden van de winkel kennelijk om redenen van bedrijfsvoering, verplicht moet worden gedragen. Aldus bestaat naar het oordeel van het Hof tussen het dragen van deze kleding en de beroepsuitoefening een zodanig exclusief verband dat de kleding als werkkleding moet worden aangemerkt. 3.3. Deze oordelen kunnen niet als juist worden aanvaard. De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 36, lid 1, aanhef en letter f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geeft geen grond voor de veronderstelling dat de wetgever kleding als waarvan hier sprake is en die geschikt is om te worden gebruikt in het normale dagelijkse leven, tot de werkkleding heeft willen rekenen op de enkele grond dat het dragen van kleding door de werkgever verplicht is. 3.4. Uit het in 3.3 overwogene volgt dat het Hof de gevraagde aftrek voor kosten van kleding ten onrechte heeft toegestaan. Het middel is gegrond. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, bevestigt de uitspraak van de Inspecteur, en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan de Staatssecretaris van Financiën wordt terugbetaald het terzake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.
Dit arrest is vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 3 mei 1995 en in het openbaar uitgesproken.