ECLI:NL:HR:1995:AA1556
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt gelijkheidsbeginsel bij waardering melkquotum in inkomstenbelasting
Belanghebbende exploiteerde tot 12 mei 1986 samen met zijn zoon een melkveehouderij in maatschap en droeg toen zijn aandeel in het melkquotum over zonder vergoeding te bedingen. De Inspecteur stelde dat de overdracht als stakingswinst moest worden gewaardeerd tegen de volle economische waarde van ƒ 2,50 per kg melkquotum, wat resulteerde in een aanslag op een belastbaar inkomen van ƒ 289.182.
Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd tot een lagere waardering van ƒ 0,325 per kg melkquotum, conform een Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën uit 1986. Het Hof oordeelde dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat geen onderscheid mag worden gemaakt tussen eigenaar en pachter bij de waardering van het melkquotum.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in en betoogde dat de landbouwvrijstelling alleen geldt voor de eigenaar en niet voor de pachter, waardoor het lagere tarief niet van toepassing zou zijn. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde het oordeel van het Hof dat het gelijkheidsbeginsel toepassing vindt, waardoor de lagere waardering van ƒ 0,325 per kg melkquotum terecht is toegepast.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en stelde belanghebbende in de gelegenheid zich uit te laten over de proceskosten. Hiermee is het standpunt van de Inspecteur verworpen en blijft de aanslag gebaseerd op de lagere waardering in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de lagere waardering van het melkquotum op ƒ 0,325 per kilogram.