Uitspraak
[woonplaats].
14 juni 1994.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor twee diefstallen en kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd met een proeftijd. Tijdens deze proeftijd pleegde hij nieuwe strafbare feiten. Het openbaar ministerie vorderde daarop de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf op grond van art. 14g Sr. De rechtbank bepaalde dat deze vordering tegelijk met de strafzaak tegen de verdachte behandeld zou worden. De verdachte werd bij verstek veroordeeld en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf werd gelast.
De verdachte stelde hoger beroep in tegen het verstekvonnis, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep gericht was tegen de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat het beroep te laat was ingesteld. De Hoge Raad oordeelde echter dat op grond van de wetsgeschiedenis en de ratio van art. 14g Sr geen partieel hoger beroep mogelijk is tegen een rechterlijke beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging die deel uitmaakt van een uitspraak over andere strafbare feiten.
Daarmee miskende het hof de rechtsregel door de niet-ontvankelijkverklaring. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep. Dit arrest benadrukt het belang van de samenhangende behandeling van vordering tot tenuitvoerlegging en strafzaak en de onmogelijkheid van partieel hoger beroep in die context.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onjuiste niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep.