ECLI:NL:HR:1994:AA3013
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Wildeboer
- Urlings
- Zuurmond
- Herrmann
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toepassing vrijstelling overdrachtsbelasting bij bedrijfsruimten als bijbehorende gebouwen
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd voor de verkrijging van erfpacht van een onroerende zaak, die bedrijfsruimten en woningen omvatte. Na bezwaar handhaafde de inspecteur de aanslag, maar het hof verminderde deze. De vraag was of de bedrijfsruimten als bijbehorende gebouwen in de zin van de Woningwet 1962 konden worden aangemerkt, waardoor vrijstelling van overdrachtsbelasting mogelijk zou zijn.
Het hof oordeelde negatief omdat de bedrijfsruimten functioneel niet dienstbaar waren aan de woningen en als zelfstandige units werden verhuurd. De Hoge Raad verwierp deze opvatting, stellende dat het belang van volkshuisvesting centraal moet staan bij de uitleg van de vrijstelling en dat zelfstandige bedrijfsruimten niet automatisch buiten de vrijstelling vallen.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en verwees de zaak naar het hof te 's-Gravenhage voor nader onderzoek naar de stelling van belanghebbende dat het belang van volkshuisvesting voorop stond en dat de bedrijfsruimten slechts ondergeschikte betekenis hadden. Tevens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar het belang van volkshuisvesting bij bedrijfsruimten als bijbehorende gebouwen.