ECLI:NL:HR:1994:AA2948

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 1994
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29214
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A. Stoffer
  • W. Wildeboer
  • J. Urlings
  • A. Zuurmond
  • M. Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen uitspraak Gerechtshof Arnhem inzake inkomstenbelasting en teruggave voorheffingen

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem, die op 21 september 1992 werd gedaan. De zaak betreft een beschikking van de Inspecteur van 30 januari 1990, waarin werd besloten om voor het jaar 1986 geen aanslag in de inkomstenbelasting op te leggen aan de belanghebbende, en om de verrekening van voorheffingen achterwege te laten. De belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar het bezwaar werd door de Inspecteur gehandhaafd, hoewel deze abusievelijk sprak van 'de aanslag'. Hierop ging de belanghebbende in beroep bij het Hof, dat de uitspraak van de Inspecteur vernietigde, de beschikking bevestigde voor wat betreft het besluit om geen aanslag op te leggen, en een teruggaaf van loonbelasting van f 598,-- verleende.

De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Hof. In cassatie werd vastgesteld dat de belanghebbende op 18 december 1989 een T-biljet had ingediend voor het jaar 1986, met een aangegeven belastbaar inkomen van f 22.714,-- en een belastingvrije som van f 7.748,--. De belanghebbende had ook kosten van reizen tussen woning en werk in mindering gebracht. De Inspecteur had echter besloten om geen aanslag vast te stellen, omdat de aangifte niet tijdig was gedaan. Bij tijdige indiening zou de belanghebbende recht hebben gehad op teruggaaf van zowel de ingehouden loonbelasting als de premie AOW/AWW.

Het Hof had het standpunt van de belanghebbende aanvaard dat de resoluties over T-biljetten in samenhang moesten worden gelezen, maar de Hoge Raad oordeelde dat het Hof dit ten onrechte had gedaan. De Hoge Raad oordeelde dat de resoluties een uitputtende regeling geven voor verzoeken tot teruggave van voorheffingen na het verstrijken van de wettelijke termijnen. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en bevestigde de uitspraak van de Inspecteur. De proceskosten werden niet toegewezen.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 21 september 1992 betreffende na te melden met betrekking tot X te Z genomen beschikking voor het jaar 1986.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof De Inspecteur heeft bij beschikking van 30 januari 1990 het besluit genomen om voor het jaar 1986 aan belanghebbende geen aanslag in de inkomstenbelasting op te leggen en verrekening van voorheffingen achterwege te laten. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Op dit bezwaar is de beschikking bij uitspraak van de Inspecteur - in die uitspraak kennelijk abusievelijk aangeduid als "de aanslag" - gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd, de beschikking bevestigd voor wat betreft het besluit geen aanslag op te leggen, en een teruggaaf van loonbelasting verleend van f 598,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Op 18 december 1989 heeft belanghebbende voor het jaar 1986 een zogenaamd T-biljet ingediend. Het aangegeven belastbare inkomen bedraagt f 22.714,-- en de belastingvrije som bedraagt f 7.748,--. Naast het arbeidskostenforfait van f 800,-- brengt belanghebbende, op grond van de desbetreffende forfaitaire regeling, f 2.640,-- kosten van reizen tussen woning en werk in mindering. Bij beschikking van 30 januari 1990 heeft de Inspecteur, na te hebben overwogen dat de aangifte niet tijdig was gedaan, besloten over het jaar 1986 geen aanslag in de inkomstenbelasting vast te stellen en verrekening van voorheffingen achterwege te laten. Bij tijdige indiening van het T-biljet zou de verrekening van de ingehouden loonbelasting met de inkomstenbelasting resulteren in een teruggaaf van f 598,-- en de verrekening van de ingehouden premie AOW/AWW met de verschuldigde premie AOW/AWW in een teruggaaf van f 305,-- 3.2. Het Hof heeft het door belanghebbende ingenomen standpunt kennelijk aldus opgevat dat voor de beantwoording van de vraag of zij in aanmerking komt voor teruggave van voorheffingen, de voor de behandeling van T-biljetten van belang zijnde resoluties van 9 april 1979, nr. 279-4590, BNB 1980/112 en van 25 maart 1991, nr DB 91/72, BNB 1991/143 in samenhang moeten worden gelezen met de resolutie van 1 juni 1988, nr. DB 87/6154, BNB 1988/200, en wel in die zin dat de in de eerstvermelde resoluties gehanteerde grens van f 1.000,-- moet worden teruggebracht tot de in de laatstvermelde resolutie gehanteerde grens van f 250,--. 3.3. Het Hof heeft dit standpunt van belanghebbende als juist aanvaard, evenwel ten onrechte. De in 3.2 genoemde T-biljetten-resoluties geven immers een uitputtende regeling voor na het verstrijken van de daarvoor gestelde wettelijke termijnen - door middel van T-biljetten gedane - verzoeken tot teruggave van voorheffingen. Voor de beoordeling van het onderhavige geschil komt derhalve aan de in de resolutie van 1 juni 1988 neergelegde regeling geen betekenis toe. Middel II is gegrond. De uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Middel I behoeft geen behandeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, in raadkamer van 23 november 1994.