ECLI:NL:HR:1994:AA2945

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 1994
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29852
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23b lid 2 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 61a lid 5 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verrekening investeringsbijdragen voor aankoop waterplas

X B.V. heeft in het boekjaar 1986/1987 een waterplas met oevers gekocht en verzocht om verrekening van investeringsbijdragen op grond van artikel 23b, lid 2, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Inspecteur wees dit verzoek af, en na bezwaar handhaafde hij deze afwijzing. Het Gerechtshof te Leeuwarden bevestigde deze beslissing in hoger beroep.

X B.V. stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, stellende dat de investering anders moest worden behandeld. De Hoge Raad overwoog dat de investering moet worden aangemerkt als investering in gronden zoals bedoeld in artikel 61a, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, en verwierp het cassatieberoep.

De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten en wees het beroep af. Hiermee blijft de afwijzing van de verrekening van investeringsbijdragen in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van X B.V. wordt verworpen en de afwijzing van de verrekening van investeringsbijdragen wordt bevestigd.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 6 augustus 1993 betreffende na te melden beschikking inzake verrekening van investeringsbijdragen.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Belanghebbendes verzoek tot verrekening van investeringsbijdragen van het boekjaar van 1 juli 1986 tot en met 30 juni 1987 is door de Inspecteur bij beschikking van 21 november 1989 afgewezen, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: In het boekjaar 1986/1987 heeft belanghebbende aangekocht een waterplas met oevers met een oppervlakte van 24.21.54 ha., waarvan 3.6 ha. oevergrond. De waterplas wordt door belanghebbende verhuurd als stortplaats voor zogenoemde tarragrond, zijnde aarde die na het schoonmaken van suikerbieten als afvalprodukt bij de suikerproduktie achterblijft. Bij haar aangifte over het boekjaar 1986/1987 heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op verrekening overeenkomstig artikel 23b, lid 2, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (in de voor het onderhavige boekjaar geldende tekst) van investeringsbijdragen ter zake van de aankoop van de waterplas, welke aanspraak door de Inspecteur bij de onderwerpelijke beschikking is afgewezen.
3.2. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat de onderhavige investering dient te worden aangemerkt als een investering in gronden als bedoeld in artikel 61a, lid 5, (tekst 1986/1987) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten zoals bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 5 oktober 1994.