Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 9 april 1992 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende exploiteert een flatgebouw met bedrijfsruimten, woningen en garages. Voor het jaar 1987 werd een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd vanwege onjuiste toepassing van de aftrek van voorbelasting. Belanghebbende had de aftrek berekend volgens de pro rata-methode op basis van netto-huuropbrengsten, terwijl de Inspecteur de aftrek berekende naar werkelijk gebruik, gebaseerd op vloeroppervlakteverhoudingen.
Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de naheffingsaanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat de regeling van artikel 11 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 onverenigbaar is met richtlijn 77/388/EEG, omdat deze niet duidelijk voorschrijft of de pro rata-methode of de werkelijke gebruiksmethode moet worden toegepast.
De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat de richtlijn het toestaat dat lidstaten een regeling hanteren waarin beide methoden naast elkaar bestaan, waarbij de werkelijke gebruiksmethode wordt toegepast wanneer de pro rata-methode tot een onjuiste uitkomst leidt. Hiermee werd het oordeel van het Hof bekrachtigd en het beroep van belanghebbende verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de naheffingsaanslag omzetbelasting wordt gehandhaafd.