Uitspraak
23 april 1993.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een derdenverzetprocedure tegen een verstekvonnis waarbij eiseres 3 was veroordeeld tot betaling van een geldlening aan eisers. Verweerder, die met eiseres 3 in gemeenschap van goederen was gehuwd tot hun echtscheiding, kwam in derdenverzet tegen het verstekvonnis.
De rechtbank had verweerder toegelaten tot bewijslevering dat eiseres 3 niet daadwerkelijk de volledige schuld had, maar wees dit bewijs af. Het hof vernietigde daarop de eerdere vonnissen en verklaarde verweerder tot goed opposant, maar oordeelde dat verweerder als derde moest worden beschouwd en niet als partij in de zin van art. 184 lid 2 Rv Pro.
De Hoge Raad bevestigt dat het feit dat echtgenoten in gemeenschap van goederen zijn gehuwd niet betekent dat de ene echtgenoot automatisch partij is bij rechtshandelingen van de andere. Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen, en zij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat verweerder als derde moet worden aangemerkt in deze procedure.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel dat verweerder als derde moet worden beschouwd blijft in stand.