Uitspraak
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 3 april 1991 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap, was tot 1 januari 1982 een beleggingsinstelling en werd daarna als regulier winstbelastingplichtige aangemerkt. Over de jaren 1981 tot en met 1985 werden winsten en verliezen vastgesteld, waarbij verliezen uit latere jaren werden verrekend met winsten uit eerdere jaren. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op naar aanleiding van deze verrekeningen.
Het Hof Arnhem handhaafde de navorderingsaanslag, stellende dat de eerder afgegeven beschikkingen een voorlopig karakter hadden en dat er sprake was van een compartimenteringsgedachte bij verliesverrekening tussen het beleggingsinstellingsregime en het reguliere winstregime. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 20 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geen bijzondere regeling voor verliescompensatie bij beleggingsinstellingen bevat, zodat geen compartimentering van verliesverrekening plaatsvindt. Voorts stelde de Hoge Raad dat belanghebbende gerechtvaardigd vertrouwen had in het definitieve karakter van de carry-backbeschikkingen, waardoor het Hof ten onrechte oordeelde dat deze voorlopig waren.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en de navorderingsaanslag, en bepaalde dat de door belanghebbende betaalde griffierechten worden vergoed. Hiermee werd het vertrouwen van belanghebbende in de fiscale afwikkeling beschermd en werd de navorderingsaanslag onterecht geacht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en de navorderingsaanslag en beschermt het vertrouwen van belanghebbende in de fiscale afwikkeling.