Uitspraak
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 8 mei 1991 betreffende de haar voor het jaar 1985 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap, kocht in 1985 een onroerende zaak bestaande uit een herenhuis en ondergrond voor een totaalbedrag van f 208.792,--, waarvan f 82.792,-- werd toegerekend aan de opstal. Later dat jaar werd de opstal gesloopt en werd een nieuw kantoorgebouw aanbesteed, dat in 1986 in gebruik werd genomen.
De kern van het geschil betrof de juiste waardering van het bedrijfsmiddel ultimo 1985 voor vennootschapsbelastingdoeleinden. Belanghebbende stelde dat de aanschafkosten verminderd moesten worden met het deel dat aan de gesloopte opstal was toe te rekenen, terwijl de inspecteur dit betwistte. Het hof oordeelde dat de kostprijs van het nieuwe gebouw wordt gevormd door de boekwaarde van het opgeofferde gebouw inclusief grond plus de bouwkosten, en dat goed koopmansgebruik een waardevermindering toestaat indien de bedrijfswaarde lager is dan de kostprijs.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad stelde dat het hof terecht oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de bedrijfswaarde lager was dan de aanschaf- en voortbrengingskosten. Ook het argument dat sprake zou zijn van een miskoop leidde niet tot een andere waardering. Tenslotte bepaalde de Hoge Raad dat het door belanghebbende betaalde bedrag voor de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het hof wordt terugbetaald.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de waardering van het bedrijfsmiddel op basis van de volledige aanschaf- en voortbrengingskosten.