Uitspraak
25 september 1992.
Hoge Raad
In deze zaak stond het verschoningsrecht van een notaris centraal die betrokken was bij onderhandelingen tussen Tomol Investments N.V. en E.V.A.G. Holding B.V. over de overname van aandelen. De notaris weigerde als getuige te verschijnen met beroep op zijn verschoningsrecht. De zaak betrof de vraag of hetgeen aan de notaris was medegedeeld als aan hem toevertrouwd moest worden beschouwd.
De feiten betreffen onderhandelingen en een beginselovereenkomst van 20 maart 1986, gevolgd door het opstellen van notariële akten die niet werden ondertekend. Evag stelde wanprestatie en onrechtmatig handelen door Tomol, en vorderde ontbinding of nakoming van de overeenkomst. De rechtbank oordeelde dat er een definitieve overeenkomst was gesloten, terwijl het hof nader bewijs toeliet over de mate van overeenstemming.
De Hoge Raad stelt dat het verschoningsrecht van de notaris alleen geldt voor hetgeen hem als notaris is toevertrouwd. Indien partijen onder leiding van de notaris een overeenkomst tot stand brengen, geldt het verschoningsrecht niet voor de inhoud en totstandkoming daarvan. De notaris moet dan getuigen. Het arrest vernietigt het eerdere oordeel dat het verschoningsrecht in deze zaak van toepassing was en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling. Evag wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het verschoningsrecht van de notaris geldt niet voor mededelingen die leiden tot een vastgestelde overeenkomst; de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.