Uitspraak
3 november 1992.
Hoge Raad
De rechtbank had het beklag gegrond verklaard en het beslag op reclameborden opgeheven omdat zij oordeelde dat geen sprake was van ontdekking op heterdaad. Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking.
De Hoge Raad overwoog dat bij een voortdurend delict de ontdekking op heterdaad telkens plaatsvindt zolang de verboden situatie voortduurt. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de inbeslagneming op 24 januari 1992 niet op heterdaad was, terwijl de overtredingssituatie op die datum nog bestond.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de bestreden beschikking en verwees de zaak naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch voor hernieuwde beoordeling. Hiermee werd bevestigd dat het begrip ontdekking op heterdaad bij voortdurende delicten ruim moet worden uitgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde beoordeling.