Uitspraak
[woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in het Huis van Bewaring [A] .
[getuige 8]heeft toegestaan dat hij ex. art. 219 W.v.Sv. een beroep heeft kunnen doen op het recht van verschoning.
ditdelikt (en niet van een ander delikt, b.v. diefstal met geweld). Met andere woorden uit de dagvaarding zal moeten blijken waarom rekwirant nu juist van medeplegen van afpersing wordt beschuldigd en niet van een ander delikt, waartegen hij zich dan dient te verdedigen. Ook indien er b.v. geen feitelijke handelingen zijn gepleegd door een mededader, dan zal toch aangegeven -en bewezen !- dienen te worden waaruit dan de nauwe en volledige samenwerking tussen dader en mededader bestond.
welbestond.
nietin de dagvaarding staat (n.1. waaruit zijn aandeel in dit delikt dan wel zou blijken) en wel hetgeen wel in de dagvaarding vermeld staat en dat heeft hij dan ook gedaan. Het Openbaar Ministerie dient in de dagvaarding aan te geven, waaruit het "tezamen en in vereniging met een ander" althans het "gepleegd door een of meer
verenigdepersonen" dan heeft bestaan en dat is niet gebeurd en dat maakt de dagvaarding t.a.v. rekwirant nietig.
plegen(in de zin van art. 317 W.v. Sr. ) van het misdrijf "
afpersing" niet uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden en/of een met de Wet strijdende en/of met de bedoeling en .strekking van dit begrip/bewoordingen onverenigbare uitleg heeft gegeven, zoals ook blijkt uit het in het onderhavige arrest opgenomen overweging(en) en/of doordat Het Gerechtshof bij zijn beraadslaging als bedoeld in. art. 422 jo Pro. 348 en/of 350 Sv. en/of zijn beslissing als bedoeld in art. 423 jo Pro. 352 Sv. de grondslag der telastelegging heeft verlaten en/of niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting en/of het arrest niet naar de eis der Wet met redenen heeft omkleedt.
nietde medeverdachte bij de overval.
7 januari 1992.