Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Leeuwardenvan 2 juni 1989 betreffende de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1986.
Hoge Raad
Belanghebbende verkocht in 1986 zijn aandelen in een failliete vennootschap voor één gulden aan zijn toen negenjarige zoon. De vennootschap was sinds 1985 failliet en werd in 1987 ontbonden zonder uitkering op de aandelen. Belanghebbende claimde een verlies uit aanmerkelijk belang bij de belastingaanslag over 1986, welke door de Inspecteur werd geweigerd. Het Hof bevestigde de aanslag en oordeelde dat de verkoop geen reële waarde vertegenwoordigde en uitsluitend was bedoeld om belasting te besparen, waardoor doel en strekking van de wet werden miskend.
In cassatie stelde de Hoge Raad dat de wet geen beperkingen kent ten aanzien van de omstandigheden waaronder verliezen uit aanmerkelijk belang gerealiseerd moeten worden. De Hoge Raad overwoog dat de verkoop aan de minderjarige zoon, ondanks de symbolische prijs en het faillissement, niet in strijd is met de wet. Er was geen sprake van misbruik van wetsbepalingen, aangezien de voorwaarden voor verliesverrekening waren vervuld en het verlies voortvloeide uit de economische realiteit.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en de Inspecteur, verlaagde de aanslag tot nihil met verrekening van reeds betaalde loonbelasting en bepaalde dat de betaalde griffierechten aan belanghebbende worden vergoed.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de eerdere uitspraak en verlaagt de aanslag tot nihil met verrekening van loonbelasting.