Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 15 maart 1988 betreffende na te melden uitspraak als bedoeld in artikel 32 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor de heffing van de vennootschapsbelasting voor het jaar 1981 ten laste van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[Z].
c. de overeenkomst van geldlening ten bedrage van US $ 4.380.918,-- tussen [C] N.V. en belanghebbende, gesloten op of omstreeks 9 april 1981;
Met ingang van 1981 zijn beide genoemde fiscale eenheden samengevoegd tot één nieuwe fiscale eenheid met belanghebbende als moedermaatschappij. De activiteiten van deze fiscale eenheid bestaan uit het aanhouden van binnenlandse en buitenlandse deelnemingen alsmede de exploitatie van een verffabriek en de verkoop van door andere [I] -bedrijven geproduceerde metallurgische produkten. De omvang van de Nederlandse werkmaatschappijen is in verhouding tot de buitenlandse deelnemingen van zeer gering gewicht.
a. de storting van kapitaal in [C] N.V. ten bedrage van ƒ9.346.688, -- als vermeld onder 2.5;
b. de overeenkomst van geldlening ten bedrage van US $ 4.380.918,-- tussen [C] N.V. en [D] B.V. gesloten op of omstreeks 23 december 1980 als vermeld onder 2.5;
c. de overeenkomst van geldlening ten bedrage van US $ 4.380.918, -- tussen [C] N.V. en belanghebbende gesloten op of omstreeks 9 april 1981 als vermeld onder 2.6.
Het door belanghebbende aangegeven belastbare bedrag voor het onderhavige jaar beloopt ƒ 145.819,--".
Het Hof heeft voor de standpunten van partijen verwezen naar de stukken van het geding alsmede de pleitnota van de gemachtigde van belanghebbende en heeft vermeld dat partijen daaraan ter zitting het volgende hebben toegevoegd:
5.5. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende ter zake van de storting van dit kapitaal in [C] N.V. rente ten laste van haar winst heeft gebracht dan wel zou kunnen brengen. Ook anderszins is niet gebleken dat te dezer zake enig bedrag ten laste van de winst van belanghebbende is gebracht.
Hiertoe wordt gebruik gemaakt van een door de Nederlandse tussenhoudstermaatschappij in het buitenland opgerichte concernfinancieringsmaatschappij.
Voor belanghebbende is herinvesteren en financieren mogelijk geworden toen zij werd bevrijd van haar verplichting om alle ontvangen dividenden door te geven aan haar Engelse moedermaatschappij.
Aanvankelijk leende zij evenwel de van elders ontvangen middelen tot een beloop van US $ 4.380.918,-- uit aan [E] A.G. te Zwitserland, doch per ultimo 1980 is door tussenschakeling van [C] N.V. de gebruikelijke structuur gerealiseerd. De notitie met bijbehorend memo van [H] behelst in de opvatting van belanghebbende niet meer dan een uiteenzetting van de situatie en een voorstel aan de concernleiding een en ander als voren te verwezenlijken.
" ".... Vanaf begin 1980 was merkbaar dat het beleid per inspectie was gebaseerd op centraal overleg tussen inspecteurs. Voor zover het bij die afspraken om financieringsactiviteiten ging was de ontwikkeling niet anders dan hiervoor weergegeven. Hierbij gaat het om financieringsactiviteiten van concerns die financieringsmiddelen hebben in laag belaste landen en deze via Nederland willen investeren over de hele wereld. De vraag die zich daarbij voordeed was dan telkens de in Nederland belaste rentemarge over de in- en uitgeleende gelden. De hoogte van het percentage liep van 1 tot 1/16 procent. Voor normale gevallen bedroeg het 1/8. De hoogte is met name afhankelijk van de te lopen risico's. Vanaf 1974 was er behoudens een afspraak over het rentepercentage tevens behoefte aan het maken van afspraken over de vraag of de financieringsmaatschappij als deelneming kan worden beschouwd.
Financieringsafspraken konden zonder problemen worden gemaakt indien het betrof een financieringsmaatschappij in een laag belast land handelende met een financieringsmaatschappij in Nederland, welke laatste deel uitmaakt van een concern waarbij de Nederlandse financieringsmaatschappij gelden leent van de maatschappij in het laag belaste land en deze gelden vervolgens doorleent aan andere concernmaatschappijen buiten Nederland. Hierbij speelde niet een rol uit welke bron de in het buitenland gevestigde financieringsmaatschappij de financieringsmiddelen had ontvangen; slechts was van belang dat de Nederlandse financieringsmaatschappij het ingeleende geld doorleende naar het buitenland.
.... met betrekking tot een situatie als hier in geding, zijnde het ontvangen van een aflossing van een vordering door de Nederlandse holding uit het buitenland, dit bedrag stortende als informeel kapitaal in de in de Nederlandse Antillen gevestigde concernfinancieringsmaatschappij die dit bedrag vervolgens terugleent aan de in Nederland gevestigde financieringsmaatschappij van het concern, welke Nederlandse maatschappij het bedrag vervolgens doorleent naar een in het buitenland gevestigde werkmaatschappij, zeg ik dat hierover een afspraak kon worden gemaakt voor zover het de doorstroomrente betreft, en tevens dat een ruling kan worden afgesloten inzake de deelnemingsvrijstelling waarbij bij die laatste ruling mogelijkerwijs aanvullende voorwaarden inzake het management en/of de financiering van de deelneming zouden zijn gesteld" ".
Een en ander houdt tevens in dat de inspecteur niet heeft aangetoond dat de gewraakte rechtshandelingen zijn aangegaan met het oog op de verijdeling van de heffing van vennootschapsbelasting, zodat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd. De overige grieven van belanghebbende behoeven verder geen bespreking".
Vervolgens overweegt het Hof onder 5.10 dat het uit de getuigenverklaring van [M] afleidt dat een in Nederland gevestigde tussenhoudstermaatschappij van een buitenlands concern de financiering binnen het concern in beginsel zonder bezwaren van de Nederlandse belastingdienst mocht regelen zoals belanghebbende heeft gedaan. Wat van deze overweging ook zij - zij kan van betekenis zijn bij de beantwoording van de hiervoor met (b) aangeduide vraag -, deze overweging kan niet bijdragen tot de conclusie dat bij belanghebbende bij het aangaan van de gewraakte rechtshandelingen niet de verijdeling van de belastingheffing als doorslaggevend motief gold. Hetzelfde geldt voor de overige overwegingen van het Hof onder 5.10.
Ondanks het vorenstaande zou de uitspraak van het Hof in stand kunnen blijven indien in 's Hofs overwegingen besloten ligt dat het Hof van oordeel is dat belanghebbende door te handelen zoals zij heeft gedaan niet in strijd is gekomen met de strekking van de wet. Voor zover dit oordeel van het Hof zou kunnen blijken uit hetgeen het heeft overwogen onder 5.10 acht ik dit oordeel onbegrijpelijk.
In dit kader zijn de volgende overwegingen van het Hof van belang:
1. belanghebbende heeft aangevoerd dat de door haar gevolgde handelwijze gebruikelijk is (5.8);
2. het Hof leidt uit de getuigenverklaring af dat een in Nederland gevestigde tussenhoudstermaatschappij van een buitenlands concern de financiering binnen het concern in beginsel zonder bezwaren van de Nederlandse belastingdienst mocht regelen zoals belanghebbende heeft gedaan (5.10);
3. de inspecteur heeft niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat buitenlandse concerns de financiering van hun werkmaatschappijen niet op de wijze als belanghebbende heeft gedaan via Nederland mocht laten lopen. Er is gesteld noch gebleken dat met betrekking tot [C] N.V. sprake zou zijn geweest van vermogensbeheer en belegging en voorts heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat, indien [C] N.V. rechtstreeks aan [G] Inc. zou hebben geleend, zijnerzijds geen bezwaar tegen de transacties zou hebben bestaan (5.10).
Met betrekking tot deze overwegingen merk ik het volgende op.
ad 1) De enkele omstandigheid, als door belanghebbende gesteld, dat haar handelwijze gebruikelijk zou zijn, staat aan toepassing van artikel 31 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet in de weg (arrest van de Hoge Raad van 22 juli 1982, BNB 1982/246*).
ad 2) Uit de verklaring van de getuige leidt het Hof af dat een in Nederland gevestigde tussenhoudstermaatschappij van een buitenlands concern de financiering binnen het concern in beginsel zonder bezwaren van de Nederlandse belastingdienst mocht regelen zoals belanghebbende heeft gedaan. Het Hof geeft niet aan welke uitzonderingen op deze regel het voor bestaanbaar houdt. Door en namens de inspecteur is in dit verband gesteld, dat voor een situatie als de onderhavige, waarin uit een oogpunt van verijdeling van de Nederlandse belastingheffing eenmalig vermogen wordt verstrekt aan een financieringsmaatschappij dat wordt teruggeleend, geen ruling zou zijn afgegeven. Deze stelling vindt steun in de verklaring van de getuige, waar deze opmerkt: " "Op de vraag van de inspecteur of enige inspecteur tot het maken van afspraken bereid was als Nederlandse belastingbesparing daarbij het doorslaggevende motief was voor de desbetreffende constructie antwoord ik neen. Rulings werden alleen afgegeven als het ging om de vraag van een winstvaststelling" ". (procesverbaal van getuigenverhoor, vierde bladzijde).
ad 3) Het Hof overweegt dat de inspecteur niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat buitenlandse concerns de financiering van hun werkmaatschappijen niet op de wijze als belanghebbende heeft gedaan via Nederland mochten laten lopen. Ik moge in dit verband verwijzen naar hetgeen ik hierover reeds hiervóór opmerkte.
In dat verband overweegt het Hof voorts dat gesteld noch gebleken is dat met betrekking tot [C] N.V. sprake zou zijn geweest van vermogensbeheer en belegging. Deze overweging is naar ik aanneem terug te voeren op hetgeen ter zitting namens de inspecteur is opgemerkt, namelijk dat geen ruling kon worden verkregen voor een teruglenende Antilliaanse vennootschap als het ging om vermogensbeheer of opgepotte gelden. Nog afgezien van de omstandigheid dat het hierbij gaat om een criterium dat wordt aangelegd bij rulings met betrekking tot de toepassing van de deelnemingsvrijstelling, mag deze opmerking niet worden omgekeerd, zoals het Hof doet, door daaruit af te leiden dat in geval er geen sprake is van vermogensbeheer of opgepotte gelden, steeds een ruling zou worden afgegeven.
Vervolgens overweegt het Hof nog dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat, indien [C] N.V. rechtstreeks aan [G] Inc. zou hebben geleend, zijnerzijds geen bezwaar tegen de transacties zou hebben bestaan.
Het Hof miskent aldus dat daarbij sprake is van twee situaties die in beslissende mate van elkaar verschillen. Bij rechtstreekse lening aan [G] Inc. en uitgaande van daadwerkelijke vestiging van [C] N.V., buiten Nederland heeft er immers binnen het concern een herallocatie van vermogen plaatsgevonden waarbij, buiten de kapitaalsbanden tussen belanghebbende en [C] N.V. geen raakvlak meer bestaat met de Nederlandse belastingheffing. In het onderhavige geval is dit raakvlak blijven bestaan, en heeft het storten van het vermogen in [C] N.V., gevolgd door onmiddellijke teruglening van de gelden, gelet op de omstandigheden waaronder een en ander heeft plaatsgevonden, slechts het karakter van het naar willekeur, door gebruikmaking van de mogelijkheid van rente-aftrek, verminderen van de Nederlandse heffingsgrondslag”.
Een in Zwitserland gevestigde tot de groep behorende vennootschap heeft op of omstreeks 23 december 1980 een schuld groot US $ 4.380.918, --, overeenkomende met f 9.346.688, --, aan belanghebbende afgelost. Belanghebbende heeft dit bedrag tegen een rente van 10% ter leen verstrekt aan één van haar tot de fiscale eenheid behorende dochtervennootschappen, die het vervolgens als kapitaal heeft gestort in voormelde Antilliaanse vennootschap, waarna deze het bedrag tegen European American Bank (EAB) prime rate heeft geleend aan één van de in Nederland gevestigde groepsvennootschappen, die het bedrag op haar beurt tegen EAB prime rate, verhoogd met 1/8%, in leen heeft verstrekt aan een in de Verenigde Staten gevestigde dochtermaatschappij.
Op of omstreeks 9 april 1981 is, voor zover te dezen van belang, de lening bij de Antilliaanse dochtervennootschap afgelost en opgenomen als lening door belanghebbende zelf.
Anders dan het middel betoogt is dit oordeel naar de eis der wet met redenen omkleed en geenszins onbegrijpelijk. Met name behoefde het Hof zich niet van voormelde gevolgtrekking uit de getuigenverklaring te laten weerhouden op grond van de stelling van belanghebbende dat het gebruikelijk is dat dividenden, verzameld door een in Nederland gevestigde tussenhoudstermaatschappij van een buitenlands concern, zodanig voor herinvestering casu quo financiering binnen het concern worden aangewend dat, afgezien van kapitaalsdeelneming met deelnemingsvrijstelling, voor Nederland een belastinggrondslag ontstaat van - gewoonlijk - 1/8% van de beschikbare middelen, in welke stelling volgens het middel besloten ligt een erkenning van belanghebbende dat met de gewraakte rechtshandelingen werd gestreefd naar het bereiken van een lagere belastinggrondslag in Nederland. Zulk een erkenning houdt immers geenszins in dat met de gewraakte rechtshandelingen is beoogd een met doel en strekking van de belastingwet strijdige verijdeling van belastingheffing.